-
36
2011 11 16 Le Profond Silence
2011 11 21 Industria
2011 12 12 Eemland
2012 02 16 Het Azuren Gewelf
2012 02 24 De Friesche Trouw
2012 06 04 De Veluwe
2014 01 12 Eemland [openbare lezing]
2014 04 27 De Veluwe [openbare lezing]
2012 10 26 L'Inséparable
2015 05 07 Cocordia Res Parvae Crescunt
2017 05 02 Aletheia [Weefsters]

Spinoza, de Alles-ist

Proloog

Veertig jaar heb ik met enthousiasme en vol overgave in het onderwijs gewerkt als leraar Nederlands en filosofie. Nu ben ik met pensioen. Ik kreeg een mooi afscheid, u kent dat wel, zo’n bijeenkomst waar men de lovende woorden over je uitstort die men al die jaren voor dit afscheidsmoment heeft opgespaard. Het grootste compliment dat ik krijgen kon was van een inmiddels afgestudeerde, nog werkeloze oud-leerling. In zijn middelbare schooltijd werd hij door velen gezien als weliswaar intelligent, maar volstrekt onhandelbaar. Hij was met een rugzakje, indicatie Asperger,  de school binnengekomen, maar wees elke vorm van begeleiding – hoe goed ook bedoeld – af.  Hij spijbelde bij het leven, maakte zelden huiswerk, zat volgens sommigen volkomen ongeïnteresseerd, volgens anderen stoned in de les. Maar bij mij, zei hij, had hij zelden een les gemist, want ik vulde de verplichte absentiebriefjes niet in. Hij noemde mij de enige docent bij wie hij het idee had dat de lessen over hemzelf gingen, de enige die hem iets wezenlijks over zichzelf had laten ontdekken.

Ben ik vrijmetselaar? Sinds 31 oktober 1998 erkennen al mijn Broeders mij als zodanig. Een vrijmetselaar hoort niet van zichzelf te zeggen dat hij vrijmetselaar is, dat hoort hij aan anderen over te laten. Maar in die gecreëerde cultuur van bescheidenheid lopen ook minder bescheiden Broeders rond en daar ben ik er een van. Ik denk van mezelf dat ik wat zinvols te vertellen heb over de zinledigheid van het bestaan en reis door het land om her en der in vrijmetselaarsloges bouwstukken op te leveren. Een bouwstuk is bouwmateriaal om aan jezelf en de wereld te bouwen, het is een bijdrage aan het te voltooien bouwwerk. Op die formulering kom ik aan het einde van het tweede deel van mijn lezing terug.
In deze driedelige lezing combineer ik meerdere bouwstukken. In het eerste deel, de proloog – daar ben ik nu mee bezig – vertel ik wat over mezelf. In het tweede vertel ik hoe ik, met vallen en opstaan, geprobeerd heb leerlingen te laten filosoferen, zich vragen te stellen over zichzelf en de wereld  waarin ze leven. Het is het verslag van een cursus filosofie in acht lessen van 40 minuten waarin leerlingen op zoektocht worden gestuurd en zonder dat te beseffen Spinoza ontdekken. In het derde deel, de epiloog,  ga ik in op Spinoza zelf. Ik wil u laten zien dat Spinoza, die als een moeilijk te begrijpen, onleesbare filosoof bekend staat, een zeer moderne denker is, zo modern dat zelfs onze tijd nog niet in staat is zijn denkbeelden ten volle te accepteren.

De eerste les

Vijftien leerlingen uit de bovenbouw van havo en vwo hebben zich opgegeven voor de cursus filosoferen en hebben achter in het lokaal een plekje gevonden. Meestal zitten er in een klas meer meisjes dan jongens, behalve in het profiel Natuur en Techniek, maar nu zijn de jongens in de meerderheid. Het is een constatering, geen oordeel.
Filosoferen is niet het bestuderen van wat filosofen allemaal hebben gezegd, het is een activiteit, het is zelf denken. Dus zet ik ze meteen aan het werk met de vraag: heeft het Heelal een grens in tijd en ruimte? De school waar ik werk is een laptopschool en dus is het eerste wat de leerlingen doen zoeken naar een antwoord op internet. Binnen 10 minuten komen ze met uiterst complexe antwoorden die ze zelf niet echt begrijpen maar wel voorlezen van een webpagina. De Big Bang passeert als begin van tijd en ruimte, als het begin van het nog altijd uitdijend heelal. Maar als ik gemeen doorvraag op hun antwoorden lopen ze uiteindelijk allemaal vast: ze kunnen zich niets voorstellen bij iets wat geen tijd en ruimte heeft.  Als het ooit begonnen is, wat was er dan voor die tijd? En wat gebeurt er als het Heelal ophoudt te bestaan? Als ze in hun gedachten reizen naar de grens van het Heelal, stellen ze zich automatisch de vraag wat er aan de andere kant van die grens is.
Tien minuten voor het einde van de les geef ik ze dan een nieuwe vraag, waarvoor ze het antwoord nu eens niet moeten zoeken op het wereldwijde web, maar in het woord Heelal zelf. Vrijmetselaars gebruiken dat woord ook in de Opperbouwmeester des Heelals, door mij consequent uitgesproken als de Opperbouwmeester van het Heel Al, in het begin van de 19e eeuw nog uitgesproken als het Geheel Al. Wat betekent het woord Heelal? Ik vertel mijn leerlingen dat het antwoord zo voor de hand ligt dat je je eigen hersenen niet gelooft.
Je ziet ze piekeren en worstelen met ongeloof dat in zo’n ingewikkelde kwestie het simpelste antwoord goed kan zijn. Omdat de stilte zo akelig is, heeft er één de euvele moed om het dan toch maar te zeggen: “het Heel Al = Alles”.
Precies: alles, het Geheel Al. Niets valt buiten het Heel Al, er is geen buiten: het Heel Al is allesomvattend, het Heel Al is compleet. Sommigen noemen alles wat in het Heel Al bestaat de natuur. Dan is het Heel Al de complete natuur. Gevolg: het onnatuurlijke bestaat niet. Wat mensen onnatuurlijk noemen, is natuurlijk dat stuk natuur dat ze niet willen accepteren. Onmenselijk gedrag is ook altijd gedrag van mensen, maar we noemen het onmenselijk omdat we niet willen dat de mens zich zo gedraagt. Maar het is typisch menselijk zich onmenselijk te gedragen, net als het in de menselijke natuur ligt sommige dingen als onnatuurlijk te beschouwen.
Het Heel Al is alles te samen, zonder grenzen, noch van tijd, noch van ruimte. Vrijmetselaren zouden zeggen: het is een cirkel zonder uiteinden met het middelpunt overal. Maar daar val ik mijn leerlingen niet mee lastig.
‘Maar de oerknal dan, meneer?’ vraagt er een, vlak voor de bel gaat, ‘die is toch wetenschappelijk bewezen?’ Dat bewaren we voor de volgende les. Ze verlaten het lokaal met een gevoel dat ze een wereldontdekking hebben gedaan.

Detweede les

Ik vertel in het kort het scheppingsverhaal uit de Bijbel. Tot mijn verrassing hebben zelfs de leerlingen die nog nooit een kerk van binnen hebben gezien van dat verhaal gehoord. Maar niet dat er twee versies zijn, waarin de volgorde van schepping verschillend is. De samenstellers van de Bijbel wisten heel goed dat ze twee verhalen achter elkaar hadden gezet die elkaar op dat punt tegenspreken. Het kon ze niets schelen, want het ging niet om natuurwetenschap, maar om theologie. Beide verhalen moesten duidelijk maken dat alles in het Heel Al van die ene Schepper was en niet van een samengeraapt zootje elkaar bevechtende goden.
We praten over scheppingsverhalen, over God en het creationisme. De meesten vinden het menselijke verzinselen, achterhaald en zo, anderen zeggen dat er misschien wel een God is die het allemaal gemaakt heeft, maar dan niet zoals in de Bijbel staat.  
Wat is er dan wel gebeurd? Dan komen ze weer met de oerknal, het natuurkundig scheppingsverhaal. Dat is wel waar, want wetenschappelijk. Op hun macbooks laat ik ze een prent van Loesje zien: ‘Eerst was er niets, en toen is dat ook nog ontploft’. Loesje neemt die wetenschap blijkbaar niet serieus. Ik vraag ze op welke vraag de Oerknal ons nu eigenlijk antwoord geeft. Ze zijn zeker: hoe het Heelal is ontstaan. Maar als er een oerknal is, moet er toch iets geweest zijn dat kan knallen? stel ik. Als jullie de Scheppingsverhalen zo kritisch benaderen, waarom dan bij die wetenschappelijke nu ineens zo goedgelovig? Het blijft stil!
Scheppingsverhalen, zeg ik,  voldoen aan een menselijke behoefte. Wij willen ergens vandaan komen en ergens heengaan. Blijkbaar voelt de mens de noodzaak dat het ooit begonnen moet zijn en dat het ooit zal eindigen. Alles wat we tegenkomen is tijdelijk. Tegelijkertijd voelt hij ook een noodzaak van oneindigheid van tijd en  ruimte, want wat was er voor het begin en wat komt er na het eind? Tijd en ruimte kunnen binnen het menselijke begrip niet plotseling ophouden.  De scheppingsverhalen bieden een oplossing: een God die eeuwig is en overal,  een God zonder begin en eind. God is. God zelf is niet geschapen, God is er altijd geweest. Dat kan een mens zich niet voorstellen, maar onvoorstelbaarheid, dat hoort juist bij God.
Eigenlijk heeft God dezelfde eigenschappen als het Heel Al uit de eerste les. Je zou dus kunnen zeggen dat God en het Heel Al samenvallen. Het Heel Al is alles.
Nieuwe vragen doemen op: waarom heeft de mens zo’n behoefte te willen weten hoe het allemaal begonnen is en hoe het zal eindigen? En hoe weet hij of het antwoord dat hij op die vraag geeft juist is? En dan gaat de bel alweer.
Tijd gaat altijd zo snel als de les interessant is.

De derde les

We gaan op zoek naar het antwoord op de eerste van de twee vragen.
Op de vraag waarom de mens zichzelf de vragen stelt naar waar de dingen vandaan komen en waar ze naartoe gaan, blijkt het antwoord ook na een les samen zoeken niet goed te geven. Het blijkt iets te maken te hebben met de vraag: heeft het leven een doel, een waarom? En zo ja, wat is dat doel? Hoe kom je daarachter? Moet het leven een doel hebben?
Weer passeert God, maar ook buitenaardse wezens. Sommigen hebben Erich von Däniken ‘Waren de goden kosmonauten’ gelezen. Dat God er achter zit blijkt voor de meesten uiteindelijk geloofwaardiger dan wat Von Däniken beweert, maar al met al bevredigen de antwoorden hen niet. Het klopt ergens niet. God is toch ook niet logisch, zegt er een. Als God een wereld schept waarin mensen elkaar uitmoorden, van de honger doodgaan of waar tsunami’s hen overspoelen, dan is God een sadist. Hij had ook een heel andere wereld kunnen scheppen, of niet?
Ik rem af. We gaan het verkeerde pad op. Ik werk op een openbare school, maar dat is niet hetzelfde als een school voor anti-theïsten. Ik zeg: er bestaan heel veel opvattingen over God, ook opvattingen waarin God juist liefde is en troost biedt in die vreselijke wereld van moord, honger en tsunami’s. Het probleem is dat wij denken dat de dingen in het Heel Al gebeuren met een bepaald doel, een doel dat wij niet begrijpen. En God krijgt dan schuld, want die heeft de wereld geschapen met dat doel.  Het Heel Al is zo abstract, zo onpersoonlijk, dat kun je de schuld niet geven. En als we God de schuld niet kunnen geven, dan is hij net zo onpersoonlijk als het Heel Al.
Ik stel vast dat we niet verder komen dan dat we kunnen constateren dat de mens altijd waaromvragen blijft stellen aan het leven zelf en aan de wereld waarin hij leeft. De mens  wil dat zijn leven een doel heeft, dat zijn bestaan ergens toe dient, dat zijn leven in het teken van iets hogers staat. En hij zoekt dat doel, dat teken steeds buiten de mens en het leven zelf. Maar van buiten komt er geen teken, als de mens niet zelf dat teken van buiten laat komen. Vandaar die Heilige Boeken waarin God zich openbaart.
Er gaat een diepe zucht door de klas. Dit is moeilijk, niet om het te begrijpen, maar om het te accepteren. Het roept wrevel op. Logisch! De waaromvraag is een vermoeiende vraag, er komt geen einde aan waaromvragen. Als kleine kinderen op elk antwoord weer een waaromvraag stellen, maken we er een eind aan door te zeggen: dáárom!. Maar zelf nemen we daar geen genoegen mee. Vandaar dat ongenoegen!
In de bel, stel ik voor om de waaromvraag op te schuiven naar de laatste les en dat vinden ze best, want ze hebben nu behoefte aan pauze.

De vierde les

Hoe kunnen we weten of wat we denken waar is? Na deze les zijn we al op de helft van de cursus, ik wil een beetje opschieten, dus filosofeer ik vandaag  voor hen.
Ik vertel het verhaal van Descartes uit de zeventiende eeuw . Omdat hij ontdekt dat veel van wat hem in zijn schooltijd is voorgehouden niet klopt – een levensles op zich, mijn beste leerlingen! – besluit hij helemaal opnieuw te beginnen. Zijn eerste waarheid is de uitspraak waarmee hij beroemd geworden is: cogito ergo sum: ik denk, dus moet ik wel bestaan, anders kan ik niet denken.
Dat klinkt fantastisch, leg ik ze uit, maar hij had in plaats van denken ook kunnen zeggen: ik poep, dus ik besta, want om te poepen moet ik wel eerst bestaan. Toch gebruikt hij bewust denken, want niet door te poepen, maar door te denken meent de mens iets te weten te komen, kennis te verwerven.
Descartes gaat methodisch te werk en probeert zo exact en rationeel mogelijk vast te stellen hoe wij wat weten. Hij constateert dat we op onze zintuigen niet kunnen vertrouwen, de dingen zijn soms anders dan we ze zien. We zien dat de zon om de aarde draait, maar Copernicus heeft wiskundig laten zien dat het niet zo is: de aarde draait om de zon. We moeten dus de dingen meten, onderzoeken en berekenen: alle kennis moet op wiskunde gebaseerd worden.
Descartes trekt dan een heel kennisgebouw op, waarvan nu niet eens meer een ruïne over is, maar de methode die hij gebruikt is de basis van onze wetenschappelijke manier van denken geworden. Uitgaand van axioma’s [stellingen waar niemand aan twijfelt] leiden we al logisch redenerend en proefondervindelijk onderzoekend af wat werkelijk is en wat niet. Zo kunnen we vaststellen wat waar is.
In de twintigste eeuw doet de filosoof Wittgenstein eigenlijk hetzelfde als Descartes: ook hij begint opnieuw. Hij stelt dat wij denken met taal, met symbolen, en dus gaat hij de taal analyseren. Hij constateert dat onze zelfstandige naamwoorden verwijzen naar dingen, dat werkwoorden de dingen met elkaar in verband brengen en dat we met bijvoeglijke naamwoorden de dingen kwalificeren. Dat gaat goed zolang het gaat om dingen die we kunnen aanwijzen, concrete dingen. Zodra we woorden gebruiken die niet verwijzen naar dingen die we kunnen definiëren met concrete dingen, lopen we het risico dat we het hebben over iets dat er niet is, dat alleen in woorden bestaat, in woorden die geen betekenis hebben in die zin dat ze niet naar iets in de werkelijkheid verwijzen. Dan zwammen we in het luchtledige, de ruimte. Dan hebben we het over dingen waarover we geen zinvolle uitspraken kunnen doen, in die zin dat we echt weten waar we het over hebben. En volgens Wittgenstein moet je zwijgen over zaken waar je feitelijk niets zinnigs over kunt zeggen. En zijn conclusie is dan dat de filosofie zich bezighoudt met zaken waarover niets zinnigs te zeggen valt. Dus met Wittgenstein is het over en uit met de filosofie.
Voor het eerst in de cursus hebben de leerlingen vooral passief moeten luisteren. Hoe interessant ze het ook vinden, dit is toch minder interessant dan zelf mogen denken. Sommigen haken af en kijken naar buiten, waar de werkelijkheid voorbij loopt in de vorm van een medeleerling die gedag zwaait. Dan eist beleefdheid toch dat je terugzwaait. Ik haak in op die werkelijkheid en zeg hen dat de volgende les weer meer interactie zal bevatten en dat ik ze niet langer zal lastig vallen met filosofen die vóór hen voor hen hebben gedacht. De vaart is uit de les. Eindelijk gaat de lesbel.

De vijfde les

Hoe weet je of iets waar is of onwaar? Wat is jouw waarheid? Ik vraag ze tien dingen op te schrijven die volgens hen onomstotelijk waar zijn. Nee, we gaan niet zoeken op internet, het gaat om jouw onomstotelijke waarheden. Waarover heb jij absoluut geen twijfel? Schrijf het op, dan gaan we er daarna over praten.
Bij zo’n opdracht is chaos voorspelbaar. Het blijkt moeilijk te zijn zulke waarheden te formuleren. De temperatuur in het lokaal blijkt 21 graden te zijn, zoals de thermometer aangeeft. Het is een meetbare waarheid,  maar het is ook een trivialiteit. Het is niet de grote waarheid die ze zoeken. Een paar komen met wiskundige axioma’s als: het deel is altijd kleiner dan het geheel. Volstrekt waar, maar te waar om echt indruk op hen te maken. Ze zoeken grote imponerende waarheden als: God bestaat! Of: God bestaat niet! Natuurlijk schrijven ze die niet op. Ze weten dat waarheden geen meningen zijn, maar beweringen die met feiten gestaafd kunnen worden. Ze ervaren het als een onmogelijke, onzinnige opdracht. Iets moeten doen wat je niet kunt frustreert. Filosofie is ineens niet meer zo leuk.
Ook deze les heeft voor hun gevoel niet de vaart die ze zich herinneren uit de eerste les, toen ik ze verrassend liet ontdekken dat het Heel Al wel eens alles zou kunnen zijn. Slechts één heeft de slotsom van die eerste les als zijn onomstotelijke waarheid opgeschreven, de rest gelooft er niet echt in, al klinkt het nog zo logisch. Het past niet in hun wereldbeeld. Ze willen antwoorden op vragen naar het waarom. Ze willen woorden gebruiken die niet naar de triviale werkelijkheid verwijzen, maar naar de zin, de betekenis van die werkelijkheid. Niemand komt op het idee om te zeggen dat onomstotelijke waarheden per definitie triviaal zijn. En dat ontdekken is nu juist het doel van de opdracht. Ik vertel het ze niet, want waarheden kunnen niet verteld worden, je moet ze zelf ontdekken.
Wat gaan we volgende week doen?’ vraagt er een om aan een prangende stilte een eind te maken. ‘Ik weet het nog niet’, zeg ik. Ze geloven me niet, want in hun schoolse wereldbeeld komt alles uit voorgedrukte lesboekjes, waarin de antwoorden op vragen in een correctiemodel staan. Een schoolboek stelt geen vragen waarop het schoolboek het antwoord niet weet.  Dat maakt aan de ene kant filosofie zo onschools leuk, aan de andere kant ook zo lastig: je weet niet waar je aan toe bent, je kunt niet controleren of je antwoorden kloppen.
“Ik zal kijken of ik het weer iets leuker kan maken,” beloof ik ze. We praten de laatste vijf minuten over de leugens die door de wereld gaan, vooral die van de televisie, tot de bel ons van de leegte verlost.

De zesde les

Ik bied de leerlingen mijn excuses aan voor de vorige les. De opdracht was te moeilijk en te onduidelijk. Jullie gingen op zoek naar de grote waarheden en kwamen niet verder dan trivialiteiten. Daarmee deed je precies wat mijn bedoeling was, maar niet die van jullie. Mijn bedoeling was dat jullie zouden ontdekken dat onomstotelijke waarheden per definitie oninteressant zijn. Vandaag pakken we het anders aan.
Ik vraag ze in groepjes van drie te bedenken wat ze wisten toen ze geboren werden. Het beantwoorden van die vraag kost weinig tijd: niets, logisch ja! Dan een vraag die meer tijd kost: hoe ben je vanaf dat moment wijzer geworden? Ik geef je een hint: hoe heb je leren praten?
Samen komen ze al snel tot de ontdekking dat je leert praten doordat anderen om je heen praten. Dat daar geen schoolboekjes aan te pas komen. Mama heeft niet met een grammatica en woordenboek boven je wieg en boks gehangen. Ze ontdekken dat ze heel veel al doende geleerd hebben. En natuurlijk ook wel op school. Het zijn schatjes die beseffen dat sociaal wenselijke antwoorden heel soms ook een kern van waarheid bevatten!
Ik leg uit dat onze hersenen zich programmeren, zich ontwikkelen aan de hand van de prikkels die via de zintuigen tot hen doordringen. Zonder prikkels van buiten gebeurt er binnen die hersenen niets. Onze hersenen ordenen die prikkels, maken patronen en die geven ons een idee van hoe de  werkelijkheid buiten ons in elkaar steekt. Een nieuwe vraag voor jullie: is dat idee, dat beeld dat wij van de werkelijkheid hebben voor iedereen hetzelfde? Met andere woorden: klopt dat beeld van onze hersenen?
Ze vinden het weer leuk, want dit is een vraag waarop ze het antwoord weten terwijl het hen toch verrast. In eerste instantie gaan de meesten ervan uit dat het beeld klopt, maar de weinigen die beter weten kunnen de anderen snel overtuigen. Ons beeld van de werkelijkheid klopt vaak niet, want je wordt er dagelijks mee geconfronteerd dat het anders is dan je dacht. Ooit bestond Sinterklaas en ineens bestond hij niet meer. Je hebt geen idee in hoeveel “Sinterklazen” je nog gelooft!
Vandaag komt de bel weer onverwacht. Druk met elkaar twistend over wie het meest onwerkelijke beeld heeft van de werkelijkheid, verlaten ze de les. Mij zien ze niet meer staan. In hun werkelijkheid hebben ze de dingen zelf ontdekt. In hun bevlogenheid ben ik heus niet de oorzaak van hun enthousiasme. Heerlijk!

De zevende les

Op het bord heb schrijf ik één vraag geschreven. Niet met een krijtje, maar met een viltstift. Ik had het ook via mijn laptop en de beamer kunnen doen, maar mijn leerlingen weten dat ik het niet zo heb met die moderne technieken. Voor mij is dat moeilijk doen als het makkelijk kan. Voor hen niet, voor hen is schrijven een verleerde vaardigheid, zij typen alles.
Ze lezen de vraag bij binnenkomst: ‘Hebben wij een vrije wil?’ Nog voor ze goed en wel zitten is de discussie losgebarsten. Ik maan ze tot stilte. Eerst even peilen. Twaalf van de vijftien zeggen ja. Tik ‘Vrije wil’ in op Google. Ze gaan onmiddellijk aan de slag en komen al snel om in de complexe terminologie. Alsof ze in het diepe worden gegooid zonder één zwemles. Ik mag ze niet laten verzuipen, maar zonder dat ze het beseffen zijn ze wel alweer een ervaring rijker.
Ik leg uit: onder “vrije wil” kun je het best verstaan dat je de dingen niet doet omdat je bent zoals je bent [karakter] of omdat je niet beter weet [opvoeding] of door omstandigheden gedwongen [ik kan niet anders], maar omdat je er volledig zelf voor kiest. Doe je laptop dicht, vergeet al die moeilijke termen van Wikipedia. Maak het simpel en geef antwoord op de vraag je wat jij zeker volledig uit vrije wil doet.
Maak zo simpel blijkt het niet om die vraag te beantwoorden. Er blijkt ineens toch niet zoveel te zijn wat ze uit vrije wil doen. Ademen, eten, slapen, spijsverteren, poepen … moet van het leven. Puber, hetero of homo worden … overkomt je. Ze leven niet eens omdat ze dat wilden, ze waren er voordat er een eigen wil was. En dat ze straks een keer dood gaan is ook niet uit vrije wil. Als ze iets doen uit vrije wil, is, moet dat zitten in de dingen die ze doen in het leven tussen geboorte en dood.  Ze gaan niet uit vrije wil naar school, hoewel … Als ze niet zouden moeten of niet zouden mogen, dan zouden ze misschien wel willen. Er zijn erbij die voetballen uit vrije wil, of gamen, er is er zelfs een die uit vrije wil een boek leest. Maar wat ze allemaal zeker weten is dat ze uit vrije wil wel of niet uitgaan, wel of niet alcohol drinken en wel of niet roken.
Is dat wel zo zeker? Ik zet er voor hen vraagtekens bij. Wat maakt dat je wilt uitgaan? Ik geef zo maar wat redenen waaraan ze zich kunnen toetsen. Wil je ontsnappen aan het saaie alledaagse bestaan? Ben je bang iets te missen? Wil je er graag bijhoren?  O, op die manier!
Ik deel een A4’tje uit met een uitleg over de Homerische mens, de Socratische mens en de Tragische mens. Ze gaan uit zichzelf lezen. Is dat uit vrije wil of uit nieuwsgierigheid, beleefdheid, schools gedrag?
Homeros zegt: de mens is speelbal in de gril en wil van de goden. Zijn lach, zijn traan, zijn kracht, zijn zwakte, zijn lust, zijn last, zijn drift, zijn berusting, hij heeft het niet zonder dat de goden willen dat hij het heeft. Het is boven in de godenhemel net als beneden op de mensenaarde:  wat de goden willen komt voort uit hun botsende karakters, hun onderlinge twist, hun jaloezie, hun wraak, hun balorigheid, hun willekeur. Voor Homeros is de mens een slachtoffer. De homerische mens heeft zelf geen grip op zijn bestaan.
 
Socrates zegt: de mens heeft een keus. Hij kan in zijn doen en laten doen en laten. Dat maakt hem zelf verantwoordelijk. Hij kan oorzaak scheiden van gevolg, recht van krom, goed van kwaad. Voor Socrates is de mens een dader. De socratische mens kan iets met zijn wereld.
 
In de Griekse Tragedies, die geschreven werden lang na Homerus en minder lang voor Socrates,  maakt de wereld van de Homerische goden plaats voor de Moira, het Noodlot en zijn de helden in die tragedies voorlopers van de Socratische mens die de wereld naar zijn hand wil zetten en met de beste bedoelingen onderwerpt aan zijn orde … tot de chaos van de goden hen tot de orde roept. Want het onvermijdelijke willen vermijden is hubris: overmoed en overmaat, te veel van het goede. Godenwegen zijn duister en dat heeft het Licht van de tragische held niet begrepen. De tragische mens kan wel kiezen, maar de werkelijkheid is zo grillig als de wil van de goden en het menselijk gezichtsveld is beperkt.
Ze zijn nog druk aan het lezen als de bel ook deze les beëindigt. Vandaag groeten ze me wel bij vertrek. Zo’n stuk papier is eigenlijk te schools: informatie van buitenaf, hoe leerzaam ook, legt het altijd af tegen informatie van binnenuit. Zes van de vijftien laten dat op hun manier weten door het uitgedeelde op hun tafeltje achter te laten. Of zouden ze het milieu willen sparen? Het is mijn vrije wil, denk ik, het voor mij plezierigste motief te kiezen.

De laatste les

Wat was de vraag ook al weer die we vooruitgeschoven hadden? Slechts een enkeling weet het nog: de waaromvraag. Waarom willen we zo graag het hoe en waarom van ons bestaan weten? Er gaat een vinger omhoog. Weet u het, meneer? Voor het eerst kaatsen ze met succes de bal in mijn richting. Meestal gooi ik de bal terug. Het gaat niet om wat ik vind, maar om wat jullie aan jezelf ontdekken. Nu wil ik wel antwoord geven. Vooruit, omdat het de laatste les is.
Laten we beginnen met les 7, zeg ik. Die waaromvragen stelt de mens zich niet uit vrije wil. Hij kan niet anders. Om te overleven moet hij zichzelf voortdurend vragen stellen over hoe de wereld om hem heen in elkaar zit. Het is zijn natuur, zijn noodlot.
Dat hebben we gezien in les 6. De mens moet iets met de prikkels die via zijn zintuigen tot hem doordringen. Hij moet ordenen om te kunnen overleven. Met behulp van die ordening, van zijn geheugen en van de taal kan hij terugkijken op wat hem is overkomen en vooruitkijken naar wat hem te wachten staat en dat delen met anderen. Zo probeert hij de wereld om zich heen beter te begrijpen en te verklaren. Maar hij kijkt bij het verklaren over zijn eigen grenzen heen, waar niets meer te zien valt, maar waarover hij wel kan fantaseren. Hij schept zich een beeld van de werkelijkheid dat weer bepalend is voor hoe hij de werkelijkheid vervolgens waarneemt. Dat beeld van de werkelijkheid wordt nooit de werkelijkheid zelf, maar hij kan wel zo heilig in dat beeld gaan geloven, dat het voor hem de werkelijkheid is.
Zo ontstaan de Sinterklaasverhalen of zoals les 5 ons liet zien de onbewijsbare goddelijke waarheden die heel wat spannender zijn dan de bewijsbare, triviale waarheden.
Die goddelijke waarheden gaan onze pet te boven. Ze bestaan wel uit taal, maar niet meer uit taal die we ook echt begrijpen, zoals ik in les 4 aan de hand van Wittgenstein heb uitgelegd. We zouden het daar dan ook eigenlijk niet over moeten hebben, maar we zijn mensen: we moeten wel, we kunnen niet anders: het is menselijk.
Daarmee is de cirkel rond. Dat is mijn antwoord op de vraag uit les 3: de mens zal zich altijd vragen stellen waarop het antwoord niet echt te geven is, maar waarop hij toch altijd antwoorden zal blijven zoeken.
De scheppingsverhalen uit les 2 komen voort uit de behoefte ons tijdelijk bestaan een plek te geven in het grote geheel, de eindeloze optelling van eindigheden. De mens heeft zich een beeld gevormd van goden die dat geheel gemaakt hebben en bestieren. Die Goden lijken op mensen omdat ze door mensen bedacht zijn. Het onmenselijke aan die goden is dat ze ontsnappen aan tijd en ruimte, net als het Heel Al. Het verschil tussen menselijke God en het Heel Al is dat die menselijke God zich met de mens bemoeit en het Heel Al niet. Voor het Heel Al is de mens niet meer dan een van de talloze verschijnselen die zich in het Heel Al voordoen. En dan zijn we terug bij les 1:  het Heel Al is alles wat is.
Zijn er nog vragen?
Maar meneer, als het leven geen doel heeft, dan is het leven toch zinloos?
Dat weet ik zo net nog niet. Het leven kan ook tot doel hebben geleefd te worden. Zoals er niets buiten het Heel Al is, is er ook geen doel buiten het leven zelf. Het is alles wat je hebt. Je moet er zelf wat van maken binnen de mogelijkheden die je hebt. Noem dat je vrije wil. Je niet verzetten tegen wat je bent: een heel klein deeltje van dat eindeloze geheel dat het Heel Al is. Wie zich niet langer verzet tegen het onvermijdelijke houdt veel meer energie over om het leven te leven. Het kan ook een bevrijding zijn zo te denken.
Nog iemand? Ja, er is er nog een die wat aarzelend durft. Volgens mijn vader bent u een nihilist. Bent u dat? 
Ik had kunnen zeggen: je vader interesseert me niet, het gaat om jou. Maar dat doe ik niet. Ik ken pa, ik heb hem vroeger ook in de klas gehad. Aardige, slimme leerling toen, maar wel een die graag van zekerheden uitgaat. Ik stel daarom twee wedervragen: wat is een nihilist? En: als je dat weet, ben ik dat dan volgens jou?
De vragensteller is een slimme gymnasiast. Hij weet wat nihil is. Hij kent me, ik heb hem ook in de klas bij Nederlands. Hij geeft – enigszins verlegen met zijn eigen onprettig gevoel bij wat hij gaat zeggen, omdat hij weet dat het niet echt past bij het beeld wat hij van me heeft – antwoord  op beide vragen tegelijk: ‘Ik denk … dat u een niets-ist bent.’
Dank je wel. Een niets-ist is iemand die nergens waarde aan hecht, omdat hij meent dat niets waarde heeft. Ik ben iemand die waarde hecht aan het leven dat ik leef en aan het geheel waarin ik dat leven leef. Niet omdat het waarde in zich heeft, maar omdat ik er waarde aan toeken. Ik ben eerder een omnes-ist, een alles-ist dan een niets-ist of nihilist. Maar ik gun jou en je vader het genoegen mij te zien zoals jullie me zien.
Ik zie dat het de hoogste tijd is om deze cursus te beëindigen. Vlak voor de lesbel gaat geef ik nog één tip, eigenlijk over de hoofden van de anderen heen aan de laatste vragensteller: als iemand je vraagt wat Van Dam in de cursus filosofie heeft behandeld, dan kun je kort en bondig antwoorden: Spinoza.
Zo eindigt de cursus. Als ze na het belsignaal naar buiten gaat blijft de laatste vragensteller nog even hangen.
Kan ik je nog ergens mee helpen, vraag ik.
Geeft u dit jaar nog een cursus en waar gaat die dan over?
Als er belangstelling is, dan doe ik er nog één aan het eind van het jaar. Over de mens als eenzaam kuddedier.
Mag ik weer meedoen? Natuurlijk.

Epiloog

Spinoza staat bekend als een moeilijke filosoof. Dat is hij ook vanuit verschillende perspectieven. Zijn hoofdwerk Ethica is voor een leek vrijwel onleesbaar, zelfs als zijn zeventiende-eeuws Latijn vertaald is in modern Nederlands. Dat komt doordat Spinoza vaak bestaande begrippen gebruikt, maar er een andere betekenis aan geeft. Dat doet hij met filosofische begrippen, maar ook met alledaagse begrippen. Zonder uitleg van een deskundige haakt  de gewone lezer al snel af. Ik ook. Ik ben wel tien keer opnieuw aan Spinoza begonnen, voordat ik deskundige hulp ontdekte die mij verder hielpen. En als die deskundigen niet Spinoza’s Brieven hadden gehad, waarin hij aan tijdgenoten uitlegt wat hij nou eigenlijk bedoelt, dan hadden we nu Spinoza vermoedelijk niet eens gekend. Maar met behulp van Spinoza zelf is hij op een gegeven moment glashelder.
Misschien wel te helder voor zijn lezers van toen en waarschijnlijk ook voor nog heel wat lezers van nu.  Want als de lezer eenmaal door heeft wat Spinoza eigenlijk zegt, dan is dat verbijsterend modern. Alsof je een boek uit de 21 eeuw leest. Alsof voor Spinoza Darwins evolutieleer, Freuds psycho-analyse, Wittgensteins taalanalyse en de resultaten van hedendaags hersenonderzoek de gewoonste zaak van de wereld zijn. Hij hoeft ze niet eens te noemen, zo gewoon lijkt dat gedachtegoed voor hem. Hij zou zo met Richard Dawkins in discussie kunnen gaan en hem fijntjes uitleggen dat hij – Dawkins dus – in zijn boek God als misvatting op pagina 26 de misvatting begaat hem – Spinoza dus – een pantheïst te noemen.  
Laten we daar dan maar eens beginnen, bij de God van Spinoza. Spinoza gelooft niet in een persoonlijke god, die het heelal en de aarde en alles wat erop is heeft geschapen, die zich in teksten aan ons openbaart en zich met ons bemoeit, ons handelen beoordeelt, die straft, vergeeft of beloont, verlost. Die god beschouwt Spinoza als een menselijk denkding. Denkdingen zijn voor Spinoza gedachtespinsels, fantasieën van mensen, die alleen in hun hersenen en niet in de werkelijkheid bestaan. Denkdingen zijn de woorden die Wittgenstein een kleine drie eeuwen later zou bestempelen als zinloos, zonder betekenis in de feitelijke wereld. Zo’n beetje de hele filosofie bleek vervolgens uit denkdingen te bestaan, waarmee filosofie zich niet langer verheven kon voelen boven de theologie. Allebei zijn losgezongen van de werkelijkheid, zeggen daar in feite niet over. Maar het blijft uiteraard leuk om met zinloze dingen bezig te zijn.  
Wat gelooft Spinoza dan wel? Einstein zei ooit: “Ik geloof in Spinoza’s God die zich openbaart in de ordelijke harmonie van alles wat bestaat, niet in een God die zich bemoeit met het lot en handelingen van stervelingen.” Had Spinoza dan toch een God? En wie of wat is die God dan wel? Deus sive Natura, zegt Spinoza. Die God is de complete natuur, het Heel Al, alles wat is. Is dat alles? Ja ja ja ja. Is dat alles, wat er is? Ja, dat is alles.
Het Heel Al God noemen is een eufemisme van Spinoza, een verzachtende term om hen die in de God van de Thora, de Bijbel of de Koran geloven, niet onmiddellijk hard in het kruis te schoppen. Hij moet ook de theïstische lezer nog een heel boek vasthouden. En … Spinoza is een mild mens, hij begrijpt de mens die in die God gelooft, maar die God is een misverstand, die bestaat niet en die brengt je ook niet het ware geluk. En die niet bestaande God bedoelt ook Einstein en dat weet Dawkins. Spinoza is alleen als woordgrap pantheïst, maar die woordgrap, het misverstand heeft Spinoza wel zelf opgeroepen met zijn volhardend gebruik van de synoniemen God, natuur en Heel Al.
Het Heel Al, de complete natuur, door Spinoza dus eufemistisch God genoemd, heeft met die God alleen gemeen dat het onbegrensd is in tijd en ruimte. Spinoza’s Heel Al heeft geen begin en geen eind. Zijn Heel Al is niet begonnen met een oerknal en dijt niet alsmaar uit om ooit weer in te krimpen. En als er meer dan één Heelal zou bestaan dan vallen alle ‘Heelallen’ bij Spinoza binnen zijn Heel Al. Je zou ook kunnen zeggen dat Spinoza’s Heel Al zelf zonder ruimte en tijd is en dat ruimte en tijd attributen van het Heel Al zijn.
Dat vraagt om uitleg. Het Heel Al noemt Spinoza Substantie, een lastig begrip dat in de loop van de filosofiegeschiedenis vele betekenissen heeft gehad en daardoor alleen al heel verwarrend is. In de kern komen al die betekenissen neer op dat wat niet afhankelijk is van iets anders. Bij Spinoza kun je Substantie het simpelst zien als het derde synoniem van Heel Al, naast de gehele natuur en god.
Substantie zelf is onkenbaar, maar bezit vele attributen, eigenschappen of manieren om zich te expliciteren, uit te drukken, te manifesteren, te doen kennen. Van die vele attributen ervaren wij mensen er twee: namelijk materie, het stoffelijke, en geest, het niet stoffelijke. Ik heb het nergens bij Spinoza of zijn uitleggers gelezen – ik heb natuurlijk ook niet alles gelezen –, maar  je zou tijd en ruimte zo maar attributen van het Heel Al kunnen noemen. Dan is Spinoza een soort Steven Hawking. Zeker is in ieder geval dat Spinoza aan alle modi  tijd en ruimte en geest en stof toekent. Alles wat je tegenkomt in het Heel Al, alle verschijningsvormen noemt Spinoza modi, meervoud van modus, dat bestaanswijze, bestaansvorm betekent, maar dat je ook zou kunnen vertalen met ding. Elk ding in het Heel Al – en dus niet het Heel Al zelf –, is onderworpen aan tijd en ruimte en bezit stof en geest. En dan is er nog een eigenschap die Spinoza aan alle dingen toekent: de conatus, het streven om te blijven. Elk ding tracht, voor zo ver het van dat ding afhangt, in zijn bestaan te volharden.  
Het Heel Al doet zich dus kennen in tijd en ruimte en in stof en geest en alle bestaanswijzen hebben dus omvang, zijn tijdelijk, bestaan uit materie en geest en hebben bestaansdrift. Dat heeft grote gevolgen voor de mens, want die is ook maar een bestaanswijze.
Voor Spinoza is de mens een ding tussen de dingen. Hij is geen schepsel Gods, maar een stukje natuur. De aarde is niet voor hem geschapen, de natuur is niet voor hem gemaakt, maar hij kan er wel gebruik van maken. Zijn bestaan heeft geen hoger doel dan andere stukjes natuur. De natuur heeft sowieso geen doel anders dan te zijn.
Descartes, de grondlegger van de moderne filosofie en wetenschap en tot op zekere hoogte geestelijk vader van Spinoza, meende het bestaan van God te kunnen bewijzen en die God stond uiteraard buiten de natuur. Descartes geloofde in een buiten de materie bestaande geest. Dieren waren voor hem materiële mechanieken zonder geest, alleen de mens was door God begeesterd.
Maar voor Spinoza heeft elk ding, ook de dingen die wij geneigd zijn als alleen stoffelijk te beschouwen, stof én geest én conatus, bestaansdrang. Weliswaar kunnen de verhoudingen anders zijn en zouden mensen meer geest kunnen hebben dan dieren en dieren meer dan stenen en bezitten de onderscheiden bestaanswijzen elk hun eigen mogelijkheden tot volharden in het bestaan, maar alle stof heeft geest en bestaansdrift.
Bedenk de consequenties. Welke argumenten levert Spinoza hier aan mevrouw Thieme van de Dierenpartij in haar strijd tegen de bio-industrie en aan de milieu-activisten die alle verschijningsvormen op aarde willen beschermen tegen de menselijke dominantie? Geen enkele, dat verzeker ik u.
Voor Spinoza is menselijk gedrag nooit onmenselijk, hoogstens onwenselijk in de ogen van mensen. In de natuur is het onnatuurlijke onmogelijk; wat mensen onnatuurlijk noemen is wat wij liever anders hadden gezien. In Spinoza’s volhardende gebruik van de synoniemen natuur, God en het Heelal is het ongoddelijke onmogelijk in god. In de wereld van de denkdingen, in de taal, daar is het onmogelijke mogelijk, daar bestaan boven- en buitennatuurlijke zaken, daar geschieden wonderen, maar in het Heel Al van Spinoza niet.
Spinoza’s Substantie, God, natuur, Heel Al maakt geen onderscheid in goed en kwaad. Wat goed en kwaad is, is puur een zaak van mensen, behoort tot de wereld van de denkdingen. De natuur heeft geen ethiek, dat wist u al lang. Ooit een kat met een muis zien spelen? De ethiek is een denkding.
Als Spinoza het heeft over goed, dan heeft hij het over wat het ding helpt om in zijn bestaan te volharden en heeft hij het over kwaad, dan heeft hij het over wat het ding hindert in die volharding. Wat goed is voor de mens kan slecht zijn voor het dier en voor het milieu. Maar als de mensheid beseft dat het voor haar voortbestaan goed is als zij haar omgeving niet in de vernieling brengt en dieren met respect behandelt, dan doet de mensheid er goed aan haar gedrag aan te passen en de dieren en het milieu te ontzien.
Maar ook de mensheid is een denkding. In de werkelijkheid bestaan er slechts individuele mensen, die, omdat het van nature kuddedieren zijn,  samenwerken om te volharden in het bestaan. Individuen denken, de kudde, de mensheid denkt niet. Spinoza gaat nooit uit van de mens zoals hij idealiter zou moeten zijn, maar altijd van de mens zoals hij is: een ding dat vanuit zichzelf handelt uit drang om voort te bestaan. Spinoza gaat wel uit van de mens als sociaal wezen, aangewezen op anderen. Samenwerken is altijd nuttig omdat het meer macht, meer kans op overleven, betekent. Het eigen belang is altijd gediend met samenwerking, ook al ziet niet elk individu dat in. Onze denkdingen hebben het soms flink mis.
Nu lijkt Spinoza een rationalist en dat is hij ook wel, maar op een geheel eigen manier. Want hij is een rationalist die constateert dat de mens geen rationeel wezen is. De mens wordt meer door zijn passies gestuurd dan door zijn ratio. De mens gebruikt zijn ratio meer om denkdingen te produceren waarmee hij zijn wereld mooier maakt dan de werkelijkheid en juist dat is wat de rationalist Spinoza niet doet. Hij kijkt meer naar wat de mens werkelijk doet dan naar wat diezelfde mens aan argumenten oplepelt ter rechtvaardiging van zijn handelen. Maar hij spoort de mens wel aan om met zijn ratio meer kennis over zichzelf en de wereld om hem heen te krijgen, zodat hij vanuit een realistische beeld kan reageren op wat hem overkomt.
Descartes geeft de mens een vrije wil, ‘zo groot als de vrije wil van God’. Spinoza kent de mens geen vrije wil toe. De vrije wil is ook een denkding. Alle dingen in de natuur handelen volgens natuurwetten. Een mens ook. Hij kan niet onnatuurlijk handelen, niet tegen natuurwetten in gaan. Als wonderen bestaan, dan zijn het geen wonderen. De mogelijkheden en onmogelijkheden van de mens liggen vast in de natuur. Al zijn gedrag heeft een oorzaak, is ergens een gevolg van. Dat de mens denkt een vrije wil te hebben is het gevolg van dat hij de natuurwetten niet kent. 
Was de mens in zijn mensbeeld vroeger slachtoffer van de wil en gril van de goden, in Spinoza’s wereld wordt de mens, welk mensbeeld hij ook heeft, bepaald door natuurwetten, die geen oordeel over hem hebben. De natuur beloont niet en bestraft niet, anders dan dat bepaald gedrag bepaalde gevolgen kan hebben. De natuur bidden en smeken anders te handelen dan zijn wetten doen handelen, heeft geen zin. De natuur is geen God die zich mild laat stemmen of woedend laat maken door wat de mens doet.
In de Griekse tragedies maken de goden plaats voor het noodlot, de moïra. De tragische held verzet zich tegen zijn lot, tegen de wil van de Goden, en voor die overmoed, voor het zich aanmeten van die te grote broek, zijn overmaat, wordt hij door de goden gestraft met zijn ondergang. De loutering die de Griekse toeschouwer meekrijgt, de catharsis, is dat de mens zijn lot moet dragen, genoegen moet nemen met wat hij is. Dat is ook de boodschap van Spinoza: maak je niet groter en niet kleiner dan je bent. Je bent net zo min dader als slachtoffer in het perspectief van het Heel Al. Je bent een stukje natuur, zoals de zon, de aarde, een steen, een bacterie, een paardenbloem, een vlo, een leeuw, een aap dat ook zijn. Allemaal vullen ze een stukje ruimte op in het Heel Al, zijn ze tijdelijk, bezitten ze stof en geest, zijn ze slachtoffer van voorafgaande oorzaken en dader van optredende gevolgen.  De ethiek van Spinoza is: wees nou maar gewoon gelukkig met wat je bent. 
De Griek Socrates, die twee eeuwen na de Griekse tragedieschrijvers leeft, heeft de mens de illusie gegeven dat ze een vrije wil hadden, dat ze konden doen en laten in hun doen en laten, dat ze oorzaak en gevolg, krom en recht, goed en kwaad konden onderscheiden en dus de juiste keuze konden maken. Hij maakt van de mens een dader. Wij leven ook nu nog met dat mensbeeld van Socrates. Onze wereld, onze rechtspraak is op dat mensbeeld ingericht, maar volgens Spinoza hebben wij onze wereld ingericht op denkdingen, op wat de mens volgens de mens zou moeten zijn en niet op wat hij is.
Spinoza heeft in zijn Ethica en nog duidelijker zijn in onvoltooid Politiek Tractaat  zijn idee gegeven hoe de wereld dan wel ingericht zou moeten worden, uitgaande van de mens zoals hij is en niet zoals wij zouden willen dat hij is. Spinoza kent geen misdaad, maar beseft wel dat er mensen zijn die bedreigend zijn voor andere mensen. Zijn overheid, of die nu dictatoriaal is of democratisch gekozen – zijn voorkeur gaat overigens uit naar het laatste – heeft geen moreel oordeel. Haar taak is regels te maken die voorkomen dat de vrijheid van de een de vrijheid van de ander belemmert en die regels te handhaven. Zij heeft het geweldsmonopolie om naleving af te dwingen. Spinoza is niet liberaal of sociaal, conservatief of progressief, want dat zijn begrippen uit de wereld van de denkdingen. Nee hij is puur praktisch: sommige dingen moeten in het belang van de burgers gewoon bureaucratisch geregeld worden.
Spinoza is voor een scherpe scheiding van kerk en staat en voor een absolute vrijheid van meningsuiting. Vanuit de visie van de kerk is het logisch dat die meent het recht te hebben op een moreel oordeel. De staat heeft dat recht niet. De staat is van en/of voor alle burgers en regelt het verkeer tussen  burgers zonder moreel oordeel. Daarbij dient er geen sprake te zijn van een dictatuur van de meerderheid in die zin dat de meerderheid zijn moraal mag opleggen aan de minderheid. De regelgeving hoort immers niet uit een moraal voort te komen, maar uit geen ander doel dan het garanderen van een zo groot mogelijke mate van vrijheid. Daarbij is de vrijheid van denken en uiten absoluut, maar is de ruimte van handelen aan restricties gebonden.  Meningsuitingen ziet Spinoza dus niet als handelingen. Haat zaaien mag blijkbaar van hem, zolang er maar niet uit die haat gehandeld wordt.
Tenslotte wil ik nog een paar opmerkingen maken over Spinoza en de vrijmetselarij. Spinoza wordt wel de vader van de Verlichting genoemd en de Vrijmetselarij een kind van de Verlichting. Maar de eerlijk gebiedt te erkennen dat het kind niet de genen van zijn vader heeft meegekregen.
Sinds in 2001 het boek van Jonathan Israel over de Radicale Verlichting verscheen is de aandacht voor Spinoza sterk gegroeid. Hij laat zien dat het werk van Spinoza fel wordt bestreden, maar onderhuids ook veel invloed heeft. Juist het atheïstische en monistische karakter  van Spinoza roept in een wereld waarin religie het voor het zeggen heeft veel weerstand op. De meer gematigde Verlichting – rationeel, optimistisch, en ruimte latend voor een persoonlijke God – werd door haar tegenstanders – de kerken, het Vaticaan, de hel en verdoemenis prekende dominees – gemakshalve op een hoop gegooid met de Radicale waarvan Spinoza de belangrijkste vertegenwoordiger is. Juist om niet met de radicale vereenzelvigd te worden, nam de gematigde Verlichting nadrukkelijk afstand van Spinoza. Niet omdat ze het volledig met hem oneens waren, maar om niet als melaatsen buiten de gemeenschap gezet te worden.
De vrijmetselarij is een kind van de gematigde Verlichting. Hun Opperbouwmeester van het Gehele Al is niet de God van Spinoza, maar wel degelijk de God van de Thora, Bijbel en Koran. Vrijmetselaars geven de Opperbouwmeester van het Heel Al die naam omdat hij ons Wereld en Leven doet zien als een te voltooien bouwwerk. Vrijmetselaars zijn optimisten.
Spinoza’s Heel Al is geen te voltooien bouwwerk. Het Heel Al is wat het is, niet goed en niet slecht. Het Heel Al gaat niet vooruit en niet achteruit. Goed, beter, best … het zijn denkdingen. Het is de mens die oordeelt over wat hij in Licht en Duister waarneemt, het Heel Al oordeelt niet. In Spinoza’s Ethiek zit niets goddelijks, behalve dan dat die Ethiek ook deel is van Spinoza’s god, het Heel Al. Zie daar de bron van alle verwarring.
Spinoza’s God is zo onmenselijk, niemand kan hem zich toe-eigenen. En voor Spinoza schuilt daarin juist de Schoonheid, de blijdschap, de bevrijding: niet op god, maar op u/ons zelf komt het aan.
Al gelooft Spinoza niet in de vrije wil, omdat ook de mens onderworpen is aan de wetten van de natuur, het is wel aan de mens om zijn eigen reactie te bepalen op die wetten, binnen die wetten zijn eigen leefregels, eigen ethiek te zoeken, bevrijd van die bemoeizuchtige door mensen geschapen god.
Het goddelijk symbool van de Vrijmetselarij, De Opperbouwmeester des Heelals, biedt tegenwoordig de ruimte om God naar persoonlijk believen in te vullen. Er zijn vrijmetselaren die er de God van de Thora, de Bijbel of de Koran in zien of de godenwereld van het Hindoeïsme of het onbenoembare van het Boedhisme, er zijn er ook die er de God van Spinoza voor invullen. Dat mag, want het gaat vrijmetselaars immers niet om het benadrukken wat ons scheidt, maar om het zoeken naar wat ons met elkaar verbindt. Juist door het symbool oningevuld te laten, kunnen mensen die heel anders denken  toch samenwerken aan een leefbare wereld. In die zin is de vrijmetselaar nu een kind van de Verlichting, radicaal of gematigd.
Ik hoop in het voorafgaande duidelijk gemaakt te hebben dat het niet altijd meevalt om de kloof te overbruggen tussen het mensbeeld van Spinoza  en van bijvoorbeeld het Christendom, dat nog altijd dominant in onze cultuur aanwezig is. Dat kan volgens mij maar op één manier: elkaar niet vangen op de woorden die we voor de dingen gebruiken, op onze denkdingen, maar ons focussen op wat we doen, op ons handelen. Daarin verschilt de een uiteindelijk maar weinig van de ander. En dat is misschien ook wel de belangrijkste les die Spinoza ons leert.
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint