-
2
Bouwstuk opgeleverd 
2000 09 29 Le Profond Silence
2010 03 11 Het Azuren Gewelf
2015 04 10 De Friesche Trouw

Spiegelbeeld
[2e graad]

Broeder Leerling die nog Gezel moet worden, lees onderstaande tekst pas als je Gezel geworden bent

Ik wil met u het gezellenritueel stap voor stap doorlopen en bij elke stap zal ik, korter of langer stilstaan, op zoek naar mij zelf. Ik zal steeds in de spiegel kijken en verslag doen van wat mijn hoogste rechter meent te zien. In hoeverre doe ik mij zelf kennen als vrijmetselaar in het Oosten en in het Westen, in hoeverre weet ik mij thuis in de vrijmetselarij en haar symboliek?    

Voor de poort  

Ken u zelve, staat boven de gesloten poort waar ik op 6 oktober 1999 voor sta, ditmaal zonder blinddoek, met open ogen en denkend te weten hoe het er daar binnen uitziet. Ik moet maçonniek kloppen, maar ik klop lang kort kort. Ik weet het op het moment dat ik geklopt heb. Het klonk verkeerd. Ik ben nerveuzer dan ik mezelf wil toegeven.

Ik hoor de vraag: Wie klopt daar als leerling vrijmetselaar? Het is een leerling vrijmetselaar die Hoger Loon komt ontvangen. Dat klopt. Ik ben leerling vrijmetselaar en ik wil maar wat graag Hoger Loon ontvangen. Ik wil hoger op, ik wil er helemaal bij horen. Ik wil best iets leren, maar vooral iets zijn. Ik wil liever iets kunnen, dan iets leren kunnen. Ik houd eigenlijk niet van lange leerprocessen, van geduldig wachten, van eindeloos oefenen. Van mij had het rituaal Helder uit 1920, dat inwijding, bevordering en verheffing bundelt, zo aan mij voltrokken kunnen worden. Zo ben ik. Maar de maçonnieke wereld van vandaag de dag zit anders in elkaar. Daar kom je niet meer binnen om te horen tot een club van mensen die de betere posities bekleden in de maatschappij, je treedt toe om te werken aan jezelf. Ik moet leren geduld te oefenen, te wachten, te luisteren, kennis te nemen om de kennis zelf en om de zelfkennis. Ik ben hier geen leraar, ik deel geen cijfers uit, ik weet het niet beter. Ik geef geen les, ik ben leerling, ik krijg les. Dat is even wennen.  

In de open poort  

Dan gaat de poort open en in de open poort staande wordt mij door de Achtbare Meester plechtig de vraag gesteld: Wat voert onze Broeder herwaarts? Wordt mij die vraag gesteld of de broeders in de loge? Hoe dan ook, ik mag niet zelf antwoorden. Dat is een kenmerk van het rituaal: vraag en antwoord liggen vast. Het gaat hier niet om het individuele, maar om wat wij als individuen met elkaar delen: traditie, overdracht. Dat is precies waar ik moeite mee zou krijgen, wist ik voor ik tot de vrijmetselarij toetrad. De vragen en antwoorden uit de catechismus, die ik op de lagere school van buiten moest leren. De Latijnse teksten die ik als misdienaar op de juiste momenten van het misrituaal moest ophoesten. Het Pater Noster, het Ave Maria, teksten die onveranderlijk waren, die zo heilig waren verklaard dat niemand over de inhoud meer hoefde na te denken. Teksten van ons, maar niet van mij. Het is een van de redenen geweest waarom ik van de kerk afhaakte: het gebrek aan ruimte voor individualiteit, voor eigen tekst. Toen beschouwde ik het rituaal als het kenmerk van een vastgeklonken, collectief wereldbeeld. Ik moest mij daaraan ontworstelen om ruimte te scheppen voor mijn eigen scheppingsdrang, eigen woorden, een eigen wereldbeeld. Pas toen ik me bevrijd had, kon ik weer luisteren en soms genieten van het katholieke rituaal, omdat ik afstand had tot de teksten. Ik luisterde niet meer naar ons, maar naar anderen.

Nu ben ik vrijmetselaar, maak ik weer deel uit van een geheel dat meer is dan een verzameling individuen, een ons dat sterker moet zijn dan de ikken die er in zitten, een keten die pas keten is als de schakels aan elkaar verbonden zijn. In de tekst die ik in 1998 schreef voor de commissie van onderzoek bij mijn verzoek toegelaten te worden tot de vrijmetselarij schreef ik dat zo op: “Juist omdat de Vrijmetselarij individuen in een Orde onderbrengt, biedt zij hun de mogelijkheid meer te zijn dan de som van de individuen, zoals een gebouw meer is dan de som van de materialen waaruit het is opgetrokken. Maar, broeders, dat vind ik het moeilijkst en daarmee ook het meest uitdagend: deel zijn van het geheel. Niet de groep zien als de mestvaalt waarop het ikje als roos kan schitteren, niet de voedingsbodem voor de egotrip, maar schakel zijn in de broederketen. Ik moet nog veel leren.   

Ik mag dus niet zelf antwoorden. Hier wordt voor mij gesproken: Alleen het verlangen een schrede verder te zetten op de weg naar het Licht voert hem tot U.  

Is dat zo? Zou dat mijn antwoord zijn? Sta ik daar alleen vanuit het verlangen een schrede verder te zetten op de weg naar het Licht? Een schrede verder, ja. Maar de krachtigste drijfveer is toch minder fraai. Ik zou het nog mooi kunnen formuleren, dat mijn drijfveer is de Broederschap, maar in de spiegel zie ik mijzelf als iemand die wil verkeren tussen mensen die aandacht geven, die mij het gevoel geven zinvol te bestaan, een gezelschap waarin ik mij kan manifesteren, waarin ik mijn Licht kan laten schijnen. Ik ben mij niet zo bewust dat ik wandel op de weg naar het Licht. Ik leef niet met het gevoel dat ik in duisternis verkeer. Ik schemer. Ik weet meer niet dan wel. Ik twijfel, ik aarzel, ik heb geen heilig geloof in iets. Ik ga uit van het niet zeker weten en probeer van daaruit een open geest te hebben voor de denkbeelden die ik op mijn pad tegen kom. Veel boeit me, maar ik keten me niet vast. Ik worstel me altijd weer los. De symboliek van Licht en Duisternis is me in veel gevallen te absoluut. Ik voel me meer thuis in de schemering tussen Licht en Duisternis.

Hoe is zijn naam en wat is zijn leeftijd?
Zijn naam is Tubal Kaïn, zijn leeftijd drie jaar.

Tubal Kaïn, genesis 4:22, zoon van Zilla, de tweede vrouw van Lamech. Tubal Kaïn, de vader van de smeden, allen die koper en ijzer bewerken. Genesis 4:17-26 doet verslag van de nakomelingen van Kaïn, de broedermoordenaar. Lamech is het 5e geslacht na Kaïn. Hij nam twee vrouwen. Bij zijn eerste vrouw verwekte hij Jabal, de stamvader van de nomaden, en Jubal, de stamvader van de musici. Ik vind lezen in de bijbel een boeiende bezigheid, al was het maar om te ontdekken hoe menselijk de god van bijbel is. Maar de symboliek achter Tubal Kaïn zegt mij vooralsnog weinig, ook niet in het kader van de bouwsymboliek. Ik zou me meer thuis voelen bij Jabal, de trekker, de zwerver, die zijn kuddes hoedt, ook al ben ik fysiek honkvast. Mijn geest trekt graag naar grazige weiden. Of bij Jubal, de musicus, omdat muziek de enige taal zonder woorden is, een taal die er soms in slaagt het onzegbare verstaanbaar te maken.  

Dat ik drie jaar ben en slechts drie treden op de tempeltrap heb afgelegd, herinnert mij eraan dat ik op weg ben, dat ik nog traptreden heb te gaan. Ik wil graag ouder worden, in het besef dat het einde van de tempeltrap de poort naar de dood is. Ik weet het, ik ben nog geen meester, en ik weet niets van het rituaal dat ik binnenkort hoop te ondergaan af. Maar het is zo maçonniek logisch dat het bereiken van het volle licht vanuit de christelijke inspiratie gelijk staat met de ontmoeting met god. Het is de mystieke eenwording met de bron van leven, het sluiten van de kring van alfa en omega, van opgaan in het niets zijn om in het al te zijn, van geboren worden in de dood. Het is zo katholiek, dat ik me er thuis bij voel. Ik houd van die mystieke verbeeldingen, ook al twijfel ik of ze buiten zichzelf iets verbeelden. Het is verbeelding om de verbeelding, l’art pour l’art. Het is wat het is, het heeft geen betekenis in zich, maar ieder kan er zijn eigen betekenis aan geven. Dood zijn om gewoon dood te zijn. Hoe dan ook, ik voel mij goed op de weg erheen.  

Is zijn Meester over hem voldaan?

Hoe moet ik dat weten? Ik weet niet eens wie mijn Meester is. Maar dat blijkt ook niet nodig, want Wij vertrouwen dat zijn Meester over hem voldaan is. Wat een opluchting! Ik hoef mijn rapport niet te laten zien, ze geloven mijn cijfers zo wel. Maar niet beoordeeld worden heeft ook iets teleurstellends. Het is zo onschools, zo weinig passend in onze cultuur. Zo verrassend dus.  

Wat brengt hij met zich?

Als dit een open vraag zou zijn geweest, zou ik als enig eerlijk antwoord gezegd kunnen hebben: zichzelf. Dat schijnt al heel wat te zijn, als iemand zichzelf is. Maar, zoals ik het zie, is elk individu zichzelf en zegt hij alleen zichzelf niet te zijn als iets in hem hem onwelgevallig is. Ik breng mezelf mee in het goede en het kwade. Maar wat ik volgens het rituaal mee blijk te brengen, vind ik ook heel mooi en ik hoop dat ik het waar kan maken: Broederliefde.  

Laat hem dan als getuigenis daarvan binnenkomen.

Broeders, ik ben binnengekomen en het was uit Broederliefde. Zou Tubal Kaïn, de afstammeling van Kaïn, wiens broedermoord zevenvoudig gewroken zal worden en in Lamech zelfs zevenenzeventig maal, zich aan het Kaïnsteken ontworsteld hebben en zijn Broeders onvoorwaardelijk liefhebben? Want echte Liefde, zo wil ik dat graag zien, is onvoorwaardelijk.  

Ik weet het niet. Ik twijfel niet aan mijn intentie, maar ik ben mezelf, een mens die bij zulke mooie woorden als onvoorwaardelijk Liefde me onmiddellijk verberg achter het scherm van de ironie. Als ik tegen één uwer zeg: Broeder, ik heb je lief, dan meen ik dat oprecht, maar ik zal een ironische toon en blik niet kunnen onderdrukken. Ironie is mijn automatisch afweersysteem, mijn defensieve paraplu tegen de gewaande wapens die op mijn kwetsbaarheid gericht zouden staan.

Mijn moeder is geen  fysiek warm mens. Zij heeft bij wijze van spreken schrikdraad om zich heen. Op echt fysiek aanraken volgt een geprikkelde afwijzing in woorden als: doe normaal. Ik heb zelf ook wel dat schrikdraad. Ik probeer er anders mee om te gaan.  

Er was wel een andere manier om elkaar in ons gezin te raken: humor, ironie. Er was een speciale vorm van emotionele communicatie in ons gezin. Wij zeiden elkaar zo de waarheid, dat je er met een lach om heen kon. Het is een communicatiemodel voor positieve en negatieve emotionele waarheden. Ook in mijn eigen gezinnetje werkt dat model. Mijn vrouw weet, als ze een compliment krijgt waar ze van zou kunnen blozen, dat er altijd iets op zal volgen dat het gegeven compliment te niet doet.  

Liefhebben is je geven, je blootstellen aan de ander, is je zonder reserve openstellen voor wat een ander jou te geven heeft. Dat wil ik graag doen, geven en ontvangen. Maar de Pavlov-reacties die ik van huis uit heb meegekregen, zijn moeilijk te onderdrukken. En ik zie om me heen dat ik niet de enige ben voor wie liefhebben op deze manier moeilijk is. Het zit in onze cultuur.  

Onvoorwaardelijk liefhebben is in onze cultuur dwaasheid en naïviteit. Liefde, zo analyseert Erich Fromm in The art of loving is in onze cultuur een economisch goed, een ruilmiddel: wie liefde geeft, berekent wat hij ervoor terugkrijgt. Het accent ligt op liefde krijgen in plaats van op liefde geven. Ik hou van jou is vaak eigenlijk een roep om hou van mij. Fromm gelooft dat liefde een kunst, een kunde is, iets waarin je moet leren en oefenen, geen toeval, maar een vaardigheid. Voorwaarde om liefde te kunnen geven en ontvangen is dat je jezelf lief hebt. Wie zich zelf niets vindt, heeft niets te geven en gelooft niet wat hij ontvangt. Ik ben het theoretisch met hem eens, maar ik vrees, broeders, dat de kloof tussen theorie en praktijk groot is. Ik hou van mezelf, roep ik graag in de rondte, maar in het alledaagse  slaag ik er lang niet altijd in zo veel van mezelf te houden dat ik de ander met open armen kan ontvangen. Met ironie en zelfspot wimpel ik mijn verlegenheid met wat ik aan warmte, genegenheid en liefde krijg weg. Zelfs een eenvoudig complimentje durf ik niet te serieus te nemen. Ik ben zo ’n romanticus die zijn gevoelens slechts aan kan door ze met overdrijving te ridiculiseren. Maar ik doe mijn best.      

Tussen beide opzieners  

Daar sta ik dan, tussen beide opzieners. Nu in mijn eentje, mijn broeders tegenover me. En de Achtbare Meester spreekt over de hoogste rechter, die over mij zal oordelen. Ik weet niet wat mij wacht. In een flits schiet door me heen dat nu het oordeel van de Broeders over me heen zal komen. Wat hebben ze in de Meestervergadering over mij besproken. Ik ben bloednieuwsgierig. Ik heb het niet slecht gedaan het afgelopen jaar, maar je weet nooit hoe anderen naar je kijken. Komt hier in de geheimenis van de open loge de Broederlijke openheid in afgewogen bewoordingen?  

Neen. Het is veel navranter, veel mooier, veel diepzinniger, veel milder en daardoor harder, want: op u komt het aan. Hier komt één van die elementen in het rituaal die je van te voren niet moet weten, die het geheim houden van het rituaal rechtvaardigt: de verrassende confrontatie met je hoogste rechter in de spiegel. Die prachtige variant op de mystieke uitspraak van Meester Eckhart, die ook zo van een Zenmeester had kunnen zijn: Het oog waarmee ik God zie is hetzelfde oog als waarmee God mij ziet.  

Na een eerste schrik, kan ik een glimlach niet onderdrukken. Dit is een knap staaltje confrontatiepolitiek. En ik kijk mezelf diep in de ogen. Ik herken mezelf van de foto die mijn partner van mij in mijn apenpakje gemaakt heeft. Hier sta ik, als vrij man, uit vrije wil, naar mezelf te kijken in de spiegel, te kijken naar mijn hoogste rechter, die een oordeel moet vellen over … Ja waarover eigenlijk? Hier moet ik oordelen of de Meester over mij voldaan is. Ik ben nog niet eens gezel en ik moet al meester over me zelf zijn. Ben ik dat? Kan ik dat? Wil ik dat kunnen? Wil ik dat leren kunnen? De tijd die me voor de spiegel gegeven wordt, is daarvoor te kort. Maar het moment van de confrontatie in de spiegel blijft me bij.  
Ik ben opgevoed met een God die overal is en alles ziet, ook wat je doet onder de dekens. Het goede fluisterden de engeltjes mij in en duiveltjes verleidden mij tot het kwade. De hemel was de beloning, de straf voor doodzonden de hel. En voor de talloze dagelijkse zonden had de barmhartige God het vagevuur opengesteld, waar mijn ziel geschoond kon worden door aflaten. Op aarde was de biechtvader de oordelaar, het laatste oordeel was aan God. Ik geloof niet meer in die God, ik weet dat ik mijn eigen hoogste rechter ben, ook als ik niet in de spiegel kijk. Maar tussen weten en bewust zijn zit een groot verschil. Ik ben het me sinds die confrontatie met mijn hoogste rechter wel vaker bewust. 

Is de meester over mij voldaan? Als voldaan hetzelfde betekent als tevreden – en dat doet het volgens het woordenboek – dan is mijn antwoord in de spiegel: ik ben niet ontevreden. Niet ontevreden, zeg ik zo, omdat het in onze cultuur nu eenmaal gewoonte is om het al te positieve met een dubbele ontkenning te verzachten. Anders klinkt het zo zelfvoldaan. Maar ik durf ook best te zeggen: ik ben voldaan. Niet dat ik ben uitgeleerd of niets te wensen meer over heb, maar als vandaag de laatste dag van mijn leven zou zijn, zou ik tevreden op mijn leven terugzien. Ik wil best nog jaren trachten beter mens te worden, maar dan doe ik dat vanuit een voldaan gevoel van wat ik er tot nu toe van gemaakt heb. Wie tevreden is met zichzelf is beter in staat zichzelf te verbeteren dan zij die anders willen zijn dan ze zijn. De energie gaat dan in de onvrede zitten. Ik stop mijn energie liever in de nu komende vijf reizen.  

De eerste reis  

Met Hamer en Beitel maak ik mijn eerste reis van dit ritueel door de tempel. Ik probeer me te concentreren op mijn binnenwereld, op wat de werktuigen voor mij betekenen. Ik houd ze in de linkerhand schuin voor mij uit, mijn ogen er strak op gericht en loop in langzame, plechtige passen van het westen via het noorden naar het oosten en vandaar via het zuiden terug naar het westen. Maar ik kan niet ontkennen dat ik me toch voortdurend bewust ben van de buitenwereld, van de blikken van de broeders in de kolommen. Ik wil er ook voor hen iets moois van maken. Het voltrekken van een ritueel is ook een performance die vraagt om stijl en invoelingsvermogen van degene aan wie het rituaal voltrokken wordt. Ik ben ijdel genoeg om, ook al is de situatie voor mij nieuw,  de indruk van een ingespeelde te willen maken. Theater dus, met mezelf in de glansrol. Maar het spel dat gespeeld wordt neem ik bloedserieus.  

In mijn eerste bouwstuk bijna een jaar geleden – het lijkt me alsof het veel langer geleden is – heb ik al gezegd dat ik mij meer thuis voel bij de natuurlijkheid van de ruwe steen dan bij het gepolijste van de zuivere kubiek. Ik moet me voortdurend inprenten dat het niet om de vorm gaat van het zuiver kubieke, maar om het ideale passen in het grotere geheel, de ideale maat die in het volle Licht naadloos aansluit bij die andere ideale maten. Maar het te bereiken ideaal bestaat in de  schemerige werkelijkheid niet. Het blijft een abstractie. In de dagelijkse schemer van de voorhof passen we het beste bij elkaar als ruwe stenen. Daar zou een zuivere kubiek als werkelijk mens onuitstaanbaar, want onmenselijk volmaakt  zijn. Ik voel me wel lekker als ruwe steen tussen de ruwe stenen in de broederschap. Ik ben voldaan. Het is goed met hamer en beitel te hakken op onze onvolmaaktheid en te streven naar wat we nooit worden: een zuivere kubiek in het volle Licht. Het gaat om de intentie, het streven zelf, niet om het onbereikbare te bereiken. Alleen al om die reden is het volgens mij een vrijmetselaar niet gepast om een medebroeder de maçonnieke maat te nemen, te verwijten dat zijn gedrag niet maçonniek is: hij arbeidt in de schemer met hamer en beitel aan zijn ruwe steen vanuit een vage illusie van de zuivere kubiek in het volle Licht. Hij is de zuivere kubiek niet en in het volle Licht zou het menselijk oog blind zijn.  

De tweede reis  

Met Liniaal en Passer maak ik de tweede reis. Dezelfde concentratie, dezelfde tred, een andere beleving. Anders dan met Hamer en Beitel heb ik met deze meetkundige werktuigen nauwelijks voeling. Vooral met de liniaal heb ik weinig. Zo ‘n rechte lat met regelmatige afstanden suggereert, net als de zuivere kubiek zelf trouwens, dat volmaaktheid regelmatig is, meetbaar met een menselijke maat. De passer kan grotere en kleinere cirkels maken, daar zit wat meer beweging in en de cirkel is rond, maar ook de cirkel is een abstracte, onnatuurlijke zuiverheid. Dat druist tegen mijn gevoel in. Volmaakt zou voor mij zijn dat twee onregelmatige vlakken op één, onverwachte manier in elkaar zouden passen, alsof of omdat ze ooit één geheel hebben gevormd. Jou, broeder, jou accepteer ik zoals je bent, met je ruwe kanten. Wij maken deel uit van één geheel. Laten we zoeken hoe onze ruwe kanten in elkaar passen. Dat zoeken mogen we meten en beitelen noemen, maar jij bent goed, zoals je bent en ik ben voldaan. Wat uitsteekt aan jou past best in dat deukje van mij. Laten we onze ruwe vlakken tegen elkaar aanschuiven, laten we ons in elkaar passen tot wat misschien in het volle licht een naadloos geheel zal blijken.  

Ik weet het, de zuivere kubiek is een abstractie. Het is maar een beeld van iets dat we in werkelijkheid niet kennen, een symbool voor het nastrevenswaardige . Het maakt waarschijnlijk niet veel uit in zijn uiteindelijk uitwerking of je de ruwe steen bewerkt tot een zuivere kubiek of tot iets anders wat naadloos past. Maar het essentiële verschil zit er voor mij in dat ik de ander of mezelf niet wil zien als iemand die veranderen moet om tot naadloze aansluiting te komen. Ik wil veeleer ontdekken hoe wij, zijnde wat wij in al onze oprechtheid en integriteit zijn, in elkaar passen.  

Hoe passer en liniaal kunnen duiden op de noodzaak de strijd tussen Licht en Duisternis nimmer uit de weg te gaan en de Duisternis geleidelijk te overwinnen, is mij niet duidelijk. Al vaker heb ik het vermoeden gehad dat de bouw- en lichtsymboliek niet naadloos op elkaar aansluiten. Tempelbouw is mensenwerk in schemering. Dan kan er wel eens een foutje insluipen, denk ik in mijn arrogantie. Maar ik sta open voor maçonnieke wijsheid die ook aan mij het Licht op de Tempelbouw doet schijnen.  

De derde reis  

Met het ene uiteinde van de zware Koevoet in de linkerhand en mijn ogen gericht op het gespleten andere uiteinde onderneem ik de derde reis. Dezelfde concentratie, dezelfde tred, een nieuwe beleving. Ik heb wel iets met de koevoet. Los wrikken wat vast zit, de onderste steen boven brengen, woorden loszingen van hun betekenis, verheven denkbeelden van hun voetstuk halen, de boel op zijn kop zetten. Allemaal om te achterhalen wat werkelijk van waarde is, omdat het zich ook in nieuwe posities handhaaft, of dat het waan is, een modeverschijnsel, een hype, een taboe. En als werkelijke waarde dan het Licht is en waan de Duisternis, dan leert de reis met de koevoet de noodzaak om de duisternis te verdrijven, ook uit haar diepste schuilhoeken.   

Maar de koevoet is een zwaar werktuig en het verschil tussen waan en waarheid is vaak moeilijk te zien. Ik ben me ervan bewust dat ik de koevoet soms wat lichtzinnig – wat een heerlijk complex woord in deze context – soms wat lichtzinnig hanteer om heilige huisjes van hun fundament te wrikken. Ik doe dat niet om iemand pijn te doen, maar uit drang tot onderzoeken. Is dat huisje wel heilig? Zit er wel een stevig fundament onder? Is er ruimte voor mijn koevoet? Valt hier wat te wrikken? Toen ik hier twee jaar geleden binnenkwam, had ik mij voorgenomen wat ik nu de koevoet noem,  thuis te laten en daar in alle eenzaamheid dit ontwrichtende werktuig los te laten op mijn eigen denkbeelden. Hier kwam ik voedsel halen, dat ik thuis kon verteren. Maar jullie hebben inmiddels wel ontdekt dat ik het slecht kan laten om de koevoet op bovengenoemde wijze te hanteren. Ik viel al gauw in mijn eigen rol: de wroeter, de provocateur. Maar nogmaals, broeders, ik wil niemand echt kwetsen. Dus als ik dat wel doe, laat uw gekwetstheid zien. Het is het meest probate middel om de slak terug in zijn huisje te jagen. Hij heeft het niet voor niets op zijn rug.  

De vierde reis  

Met de Winkelhaak maak ik de vierde reis. En net als bij liniaal en passer heb ik hier iets in handen waar ik me minder bij thuis voel. Ik hoef dat nu waarschijnlijk niet meer uit te leggen.  

Toch is er iets met die winkelhaak, wat me wel degelijk raakt. Maar dan in de combinatie van winkelhaak en open passer op het Grote Licht en in het vrijmetselaarslogo. En dan met name hoe de gespreide benen van winkelhaak en de geopende passer elkaar kruisen: links het passerbeen boven, rechts het passerbeen onder.   Ik weet niet wat ik me bij dit beeld van passer en winkelhaak moet voorstellen, al is er in mijn dirty mind altijd wel een voorstelling beschikbaar, maar dat ik er geen betekenis aan kan geven, vind ik niet erg. Integendeel: ik vind het gewoon een mooi beeld. L’art pour l’art. Zoals ze daar liggen is de winkelhaak geen winkelhaak en de passer geen passer meer. Niks meten, gewoon mooi liggen. Niet je waarde ontlenen aan wat je kunt en doet, maar van waarde zijn omdat je bent, zijn om het zijn, l’ art pour l’ art.  

De winkelhaak, zo leert de maçonnieke catechismus in het gezellenrituaal ons, leert ons de noodzakelijkheid om bij de strijd tegen de Duisternis de grootst mogelijke nauwgezetheid in acht te blijven nemen. Een precisie-instrument dus. Ik moet, als ik in mijn eigen beeld van ruwe stenen die in elkaar passen wil blijven, dus heel precies leren kijken en onderzoeken hoe wij in elkaar passen. In de Duisternis is het tasten geblazen. Waar geen licht is, is geen zicht, geen inzicht. Streven naar het licht is streven naar inzicht in hoe wij in elkaar passen, als waren wij zuiver kubiek. Komt zo mijn verbeelding toch uit bij de zuiver maçonnieke verbeelding. 

Tegen mij zelf moet ik het steeds zeggen: Het zijn, verdomme, maar beelden, Cees. Het maakt niet uit hoe je het verbeeldt, het is onzinnig om discussie te voeren over de verbeelding. Het gaat om datgene waar die verbeelding voor staat. En dat laat zich niet anders dan in beelden uitdrukken. Die winkelhaak staat voor de rechte, de juiste verhouding tot waar wij naar streven. En waar we naar streven, ja, dat is beter mens zijn, wat dat dan ook mag zijn.  

De vijfde reis  

Zonder werktuigen maak ik de vijfde reis. Ik ga met lege handen op weg van het westen door het noorden. En daar, in het noordoosten, word ik tot staan gebracht. De Achtbare Meester vraagt mij me stevig te gronden, wijdbeens. Hij vraagt mij om mij open te gooien, de armen in de lucht, de rug licht gebogen naar achter. Zo maakt de mens zich zo groot mogelijk, maar zo is hij ook het meest kwetsbaar. Dit is een houding van ontvangen. En in die houding wijst hij ,samen met de andere Broeders, mij op de Vlammende Stermet daarin deletter G. Een emotioneel moment, vergelijkbaar met het moment waarop tijdens de inwijding de laatste blinddoek wordt afgedaan en ik opgenomen blijk in de broederketen. Ik sta daar open te staan voor de gloed van de Vlammende ster en de confrontatie met de Grote Geometer. Alsof het even gelukt is om naadloos passend op te gaan in het grote geheel. Een mystieke extase, een geestelijk orgasme. Zo voelt dat. Dat gevoel moest ik vast kunnen houden. Maar dat kan niet met orgasmen. En de reis gaat met lege handen voort door het zuiden terug naar het westen.  

Wat deed de vijfde reis mij kennen? Volgens de catechismus was dat de innerlijke beleving van het Goddelijke in ons, het hoogste ideaal, slechts bereikbaar in het Licht van de Vlammende Ster met de letter G. Ben ik in staat het Goddelijke in mij te beleven? Ik weet het niet. Ik geloof niet in de God van de bijbel, in een schepper die hemel en aarde gemaakt heeft. De God die ik waarneem, bestaat in de taal van mensen, in de Logos, in het ritueel. God is voor mij een menselijk verlangen naar orde, oorzaak, zin. Ik zoek orde, oorzaak en zin van het leven in het leven zelf, niet daarbuiten. Ik geef er de voorkeur aan mijn wereldbeeld op te bouwen binnen de fysieke wereld. Over het metafysische kan ik niets zinnigs melden. Ik heb weinig met de Grote Geometer, de Grote Maatgever en Maatnemer uit het metafysische. Ik zal het moeten doen met de maat die ik zelf geef en neem. Ik ben mijn eigen God. Daar in die Vlammende Ster kom ik me zelf tegen, zoals ik mijzelf als hoogste rechter tegenkwam in de spiegel. Al die broederlijke vingers die op dat prachtige moment wijzen naar de Letter G in die puntige, elektrisch vlammende ster, wijzen op dat moment naar mij: op u komt het aan. Ik moet mij zelf waar maken. Als ik deel van het geheel wil zijn, moet ik mijzelf passend maken, moet ik mij zelf de maat nemen, moet ik zelf beoordelen in hoeverre ik lijk op de God die ik in het diepst van mijn gedachten ben. En, broeders, ik ben voldaan, maar nog lang niet klaar. Ik weet nog lang niet aan welke maat ik mijzelf wil meten, hoe ik moet meten, hoe de zuivere kubiek die in mij schuilgaat eruit ziet. Ik ga voort met lege handen naar het westen.  

Het hoger loon  

Het rituaal schrijdt voort. Mijn broeders vertrouwen mij en mijn wil om te worden wat ik in mijn diepste zelf ben. Ik word voor de Zuivere Kubiek geleid, voor het Altaar der Waarheid, zoals het ook wel wordt genoemd. Ik ben blij dat wij in onze loge die term niet hanteren. Het klinkt mij te absoluut. Daar mag ik knielen. Knielen is, zoals ik ben opgevoed, een vorm van ootmoed, van bescheidenheid, van je klein maken voor de ander. Maar ik word niet passend door me kleiner te maken dan ik ben. Ik ga er maar vanuit dat het fysiek handig is voor de Achtbare en de Opzieners die het zwaard boven mijn hoofd moeten houden. Wat doen die zwaarden in de loge? Wat is hun symbolische waarde? Ik weet het niet, ik kan er slechts naar gissen en ik laat het nu voor wat het is.

Onder een driehoek van zwaarden hoor ik tot driemaal toe vijf slagen met een hamer op het metaal. Tubal Kaïn is aan het werk.

Ik hoor de bekende trilogie van Wijsheid, Kracht en Schoonheid. Inmiddels al zo vaak weer gehoord dat het een bezweringsformule is geworden. Een toverspreuk met meer klank dan betekenis.

Wat zeggen die woorden mij? Wat is Wijsheid? Een Kracht die je nodig hebt om tot Schoonheid te komen. Wat is Kracht? Energie, doorzettingsvermogen om de Wijsheid te zoeken, te ervaren, te zien die leidt tot Schoonheid. Wat is Schoonheid? Ik weet het niet. Als ik het wist, dan had ik het Licht gezien. Als ik het wist, dan had ik alle treden van de tempeltrap gehad. Als ik het wist, dan was mijn Meester geheel voldaan en restte er niets meer dat nog voldaan moet worden. De Schoonheid is de Troost voor het leven: de dood. Ik leef nog.

Het hoger loon is ontvangen: ik ben gezel. Ik mag mijn driehoek tevoorschijn halen en bovenop mijn vierkant zetten. Ik voel de witte hand van de Achtbare Meester vijf maal knijpen in mijn witte hand. Ik heet geen Tubal Kaïn meer, maar Sjibboleth. Ik ben een aar in de korenschoof.  

Is Sjibboleth een naam waar ik mij bij thuis voel? Neen, broeders. Sjibboleth is het woord dat de Gileadieten de vijandige Efraïmieten lieten uitspreken; doordat zij het woord anders uitspraken, namelijk als sibbolet, verraadden zij zich zelf als niet-Gileadiet. De verrader werd dan gegrepen en doodgeslagen bij de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. In die tijd vielen er van Efraïm tweeënveertigduizend man. Zo meldt Richteren 12:6. De strijd tussen de Gilead Jeptha en de stam van Efraïm was een broedertwist. De Efraïmieten hadden Jeptha niet geholpen in de strijd tegen de Ammonieten, maar toen Jeptha die strijd gewonnen had en machtig was geworden, verweten de Efraïmieten hem dat hij hen niet gevraagd had te helpen. Moord en doodslag is het gevolg.

Wat moet ik met deze variant op Scheveningen als wachtwoord in de gezellenloge? Niets! Het is, met Tubal Kaïn, een van die onderdelen van onze maçonnieke cultuur die voortkomt uit de tijd dat de Bijbel het onbetwiste woord Gods was, liggend op het Altaar der Waarheid. Het zijn rudimentaire dingen. Het is ermee als met blinde darmen en verstandskiezen: zolang je er geen last van hebt, kun je ze rustig laten zitten.  

En zo nam ik als gezel plaats in de Zuiderkolom.  

De eerste gezellenarbeid  

Broeder Eerste Opziener leert mij arbeiden aan de kubieke steen. Ik moet leren met de werktuigen om te gaan waarmee ik mij zelf de maat kan nemen. In mijn eigen woorden: ik moet leren ontdekken hoe ik pas in het grote geheel van het wij. Mijn ik moet niet te groot zijn en niet te klein. Niet teveel ik, maar wel zoveel dat het een schakel is in de keten van de Broederschap.

Zijn wij als broeders in deze loge elkaars gereedschap? Helpen wij elkaar onze maat te vinden, onze plek in het geheel? Ik wil niet oordelen over de loge. Ken u zelve. Ik kan slechts antwoord geven op de vraag: helpen jullie mij? Ja, broeders, dat doen jullie, … soms. Niet met algemeenheden, niet met wijze lessen, niet met bouwstukken over de vrijmetselarij. Wel met bouwstukken waarin broeders bereid zijn hun zoeken naar zichzelf zichtbaar te maken. Wel door rituelen die het innerlijke reflecteren, een spiegel zijn waarin wij onszelf telkens op een nieuwe manier kunnen zien. Wel door een klimaat te bieden waarin kan worden nagedacht, geuit en gecompareerd. Wel met de handdruk als begroeting en afscheid. Wel met een instemmend knikje hier en een schouderklopje daar. Wel met een corrigerende blik als ik egotrip of een ironische sneer als ik doordraaf. Zelfs met een pijnlijke confrontatie die ik in eerste instantie niet begrijp. Elke Broeder die zichzelf is reikt mij het gereedschap aan dat mij kan helpen de passende vorm van mezelf uit mezelf tevoorschijn te halen. In de rechte verhouding ontdekken wij onze krommingen.  

De zaaiers  

Na gedane arbeid is het wederom in rust reflecteren. Broeder kapelmeester creëert daarvoor een muzikaal klimaat. Tot mijn spijt herinner ik mij niet meer welke muziek er tijdens die Open Loge ten gehore werd gebracht. Maar over het algemeen vind ik de muzikale intermezzi  sterk bijdragen aan de reflecterende waarde van de ritualen.  

Ik mag als nieuwe gezel met mijn medebroeders plaatsnemen rond het tableau. Nu pas, als de Achtbare Meester erop wijst, ontdek ik de korenschoof als nieuw element. Hij vertelt, terwijl een bakje met graankorrels rondgaat en iedere broeder zijn handje zaad uitstrooit over het tableau, de parabel van de zaaier. Ik ken de parabel, ik heb hem zelf vele malen uitgedragen. Bij het zaad dat op de rotsen valt, moest ik dan altijd aan Onan denken. Dus ook op dat moment. Kort flitst het beeld van zaadverspillende broeders door mijn hoofd. Ik had het kunnen verzwijgen, hier en nu, maar ik doe het niet. Wilde associaties zijn een deel van me. Ik geloof dat een groot deel van mijn denken erdoor bepaald wordt. Ik ben meer een associatief denker dan logisch denker. Rijp en groen, gepast en ongepast schieten ze door mijn hoofd. Als kind had ik dat al. En toen was ik ook nog zo ongeremd om enthousiast mijn associaties te melden. Mijn moeder heeft vaak met het schaamrood op de kaken haar enfant terrible uit de lachende omstanders weggeplukt om hem het zwijgen op te leggen. Vaak volg ik nu mijn moeder en zwijg, maar soms ben  ik weer dat vreselijke kind en zoek ik dat andere signaal, dat van de lachende omstanders, en flap ik mijn geest uit. Broeders die naast mij in de Open Loge of Voorhof zitten, fluister ik, vaak net iets te hard, mijn “geestigheden” toe. Het zijn van die losse flodders waarvoor ik niet via de opziener het woord laat vragen, ook omdat op het moment dat het woord verleend wordt, de tijd de waarde van de flits heeft gedegradeerd. Vaak zullen mijn medebroeders mijn buiten de maçonnieke orde geplaatste opmerkingen als storend gedrag ervaren en als jullie dat zo ervaren dan is het ook storend. Dat komt mij dan te staan op een geërgerde blik hier en een patriarchale blik daar. Soms waarschuwt de Achtbare. Af en toe spreekt een medebroeder mij er in de zevende graad rechtstreeks op aan. Ik probeer mijzelf te remmen, maar ik geef toe dat ik daar matig in slaag. Toen wel. Ik heb de Achtbare ongestoord zijn parabel laten uitvertellen en mezelf in de plooi gehouden.  

De catechismus  

Wat had ik graag zelf de antwoorden op de vragen van de Achtbare voorgedragen. Ik besef waarom daar niet voor gekozen wordt. Onvoorbereide en daardoor zwakke lezing van de teksten zou aan het rituaal afbreuk doen. Toch is het jammer dat de rol van de kandidaat gezel zo passief is. In het gezellenrituaal dat ik mocht meemaken in Sneek had de kandidaat wel een actieve rol. Dat vereist weliswaar vooraf dat hij delen van het rituaal moet kunnen inzien en leren, maar dan blijft er nog genoeg over dat nieuw zal zijn. Het lijkt mij het overwegen waard.  

Op de inhoud van de catechismus wil ik hier nu niet ingaan. Ik heb er in het voorafgaande voor de maçonnieke uitleg van onderdelen van het rituaal gebruik van gemaakt en er mijn opmerkingen over gemaakt.  

Wat is de waarde van de catechismus? Toen ik als kandidaat leerling het leerlingrituaal onderging was de samenvatting van het rituaal, staande achter de te hulp geschoten leerling, behalve een mooi emotioneel moment, een geestelijke video-opname van wat ik net had meegemaakt. Het was het begin van de reflectie die zich door de herhalingen nadien verdiepte. Na een jaar verblijf in het maçonnieke milieu, ben ik voldoende gewend aan de gebruikte vormen en taal om het gezellenrituaal bewuster te ondergaan. Er zitten verrassende momenten in, maar die zitten niet in de taal, die zitten in de gebeurtenissen: de Spiegel, de Vlammende Ster, het Zaaien. Omdat ik de taal nu beter versta, valt het me op dat er nog al vaak wordt uitgelegd wat met symbolen wordt bedoeld. Dat vind ik jammer. Van mij mogen de symbolen zonder veel uitleg hun werk doen.

Dat is dus ook het nadeel van de catechismus in het gezellenrituaal, dat daarin in woorden wordt vastgelegd wat de symbolen betekenen, terwijl die symbolen dat volgens mij niet echt nodig hebben. Integendeel: ik kan met de symbolen meer dan met de gegeven betekenis, vooral omdat die betekenis sterkt stoelt op de bron van de Vrijmetselarij, het christendom. Naarmate onze wereld meer ontkerstent en er meer religieuze stromingen zich verzamelen in de Vrijmetselarij zal de noodzaak sterker worden de symbolen van die christelijke uitleg te ontlasten.

Ik heb geprobeerd te laten zien hoe ik dat voor mezelf doe.
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint