-
 
Het Gilgamesj-epos

Het Gilgamesj-epos is het oudste literaire werk uit onze cultuurgeschiedenis, oorspronkelijk geschreven in het Soemerisch en het Akkadisch – talen die al lang geleden uitgestorven zijn – en ons overgeleverd op talloze, vaak beschadigde kleitabletten in spijkerschrift. Die talloze tabletten zijn uiteindelijk op grond van vergelijkingen en reconstructies teruggebracht naar 12 – uiteraard 12, Broeders – kleitabletten. Er zijn talloze kleine varianten van en in het epos, maar de grote lijn is redelijk helder. Ik heb uiteraard de meest recente en tegelijk meest wetenschappelijk verantwoorde Nederlandse vertaling gelezen, want hoewel ik vaak genoeg met plezier spijkers op laag water heb gezocht, het spijkerschrift heb ik me in de korte tijd die mij in het leven en voor dit bouwstuk gegeven is, niet eigen willen maken.

Die vertaling is van kunstschilder, archeoloog en reisleider Theo de Feyter, die in 2009 de laatst gevonden kleitabletten met Gilgamesh-fragmenten nog heeft verwerkt. Ik mag dus aannemen dat ik de tot dusver meest volledige versie tot me heb genomen. En het is een mooi, poëtisch en dramatisch verteld verhaal, dat kan wedijveren met de mooiste Bijbel- en godenverhalen. Mocht u het ooit zelf gaan lezen, doe het dan hardop, want het is orale literatuur, een verhaal dat niet gelezen, maar gehoord moet worden. Het is taal die klinkt als muziek in de oren. Ik laat u straks fragmenten horen.

Het Gilgamesj-epos is – zoals het woord epos aangeeft – een heldendicht, maar ook een queeste, een zoektocht, en wel een zoektocht naar onsterfelijkheid. In de loop van het verhaal zie je Gilgamesj veranderen van een veeleisende tiran in iemand die bang is voor de dood, op zoek gaat naar onsterfelijkheid, om uiteindelijk terug te komen in zijn rijk als iemand die de dood accepteert en trots is op wat hij in dit leven heeft bereikt. In plaats van onsterfelijkheid te vinden, heeft hij zichzelf gevonden.

Deze zeer korte samenvatting laat voor mij al duidelijk de parallellen zien met onze driedelige ritus. Maar als ik dat zeg begeef ik me op glad ijs. Elke vrijmetselaar heeft recht op zijn eigen interpretatie van de inwijdingsrituelen en om de paralellen die ik zie aan u te duiden moet ik u lastigvallen met mijn interpretatie. En uit eigen ervaring weet ik dat die eigenzinnig is en voor sommigen zelfs aanstootgevend, omdat ik in mijn cynisme zoveel esoterische Wijsheid, Kracht en Schoonheid blijkbaar niet wil zien. Een complicerend ding is ook nog dat mijn interpretatie gebaseerd op het totaal van de drie inwijdings-ritualen, dus alleen geschikt voor een 3-graads-bijeenkomst. En dat kan een bijeenkomst in het kader van een 250-jarig jubileum nooit zijn, nietwaar? Ik zal mij dus noodzakelijkerwijs zo uitdrukken dat ik nergens expliciet verwijs naar wat er in de 2 en 3 graad geschiedt. Maar als ik u zeg dat voor mij de inwijdingsritus in de vrijmetselarij een inwijding in de levenskunst is en dat tot de levenskunst ook de kunst van het sterven behoort – want de dood is onlosmakelijk verbonden aan het leven – dan begrijpt u waarschijnlijk wat ik bedoel als ik zeg dat ik de vrijmetselarij als een ultieme stervensbegeleiding ervaar, net als het Gilgamesj-epos.

Ik ga u het verhaal vertellen, met her en der fragmenten en een toelichting. Ik wil proberen dat zo te doen dat de parallellen met onze ritus, voor wie dat horen wil en kan, uit de woorden en beelden naar boven borrelen.
De historische Gilgamesj leefde waarschijnlijk in de 27e eeuw voor Christus en was koning van Oeroek, een grote stad in het zuiden van het tegenwoordige Irak. Al rond 2500 voor Christus had Gilgamesj echter een legendarische status en steeds meer werd zijn verhaal een van generatie op generatie overgeleverd epische mythe, later vastgelegd op een twaalftal spijkerschrift-tabletten, die we overigens nooit ergens compleet hebben aangetroffen. Het voordeel daarvan is dat er veel te raden overblijft en dat is aantrekkelijk voor mensen die graag invullen wat er niet staat.
 
Zo begint het verhaal. Luister:

TABLET 1    GILGAMESJ IN OEROEK – ENKIDOE IN DE STEPPE

Hij die alles gezien heeft, de grondvesten van de wereld.
Hij die alles wist, alles begreep.
Gilgamesj die alles gezien heeft, de grondvesten van de wereld.
Hij die alles wist, alles begreep.
Hij die alle landen ontdekte, alle wijsheid verzamelde.
Wat bedekt was, zag hij, hem bleef niets verborgen.
Hij heeft kennis gebracht van voor de grote watervloed,
heeft verre wegen bereisd, vermoeid, tot rust gekomen.
Een gedenksteen richtte hij op voor al zijn moeite.

U hoort het, het is rituele, poëtische taal, bijna een liedtekst.

Deze vaardige, energieke, alwetende en alles begrijpende Gilgamesj is eerst nog niet wat hij later is geworden. Luister:

Hij gaat op en neer door de straten van Oeroek
als een wilde stier met geheven hoofd.
Zijn gevechtsklare wapen vindt zijn gelijke niet.
Zijn metgezellen moeten steeds klaar staan om zijn oproep te volgen.
Hij valt de mannen van Oeroek te pas en te onpas lastig.
Gilgamesj laat de zoon niet bij zijn vader.
Dag en nacht gaat hij onstuimig tekeer.
Hij, de herder van Oeroek, machtig, kundig, waardig, wijs:
Gilgamesj laat het meisje niet bij haar moeder.

Je zal zo’n voorzittend meester hebben. Dan zou je je toch bij de goden van het grootoosten beklagen. Dat doet zijn volk dan ook. Om het leed van het volk te verzachten, besluiten de goden om een vriend, een evenknie, voor Gilgamesj te scheppen, iemand met wie hij kan sparren, op wie hij al zijn energie kwijt kan. Die evenknie is Enkidoe, geschapen door Aroeroe, die de mensheid schiep. Luister:

Aroeroe maakte haar handen nat,
nam een klomp klei en smeet die naar buiten.
Zij schiep in de steppe de held Enkidoe,
geboren uit de stilte van de nacht
met de samengebalde kracht van Ninoerta.

Enkidoe is een ruwe bolster met blanke pit, een Ruwe Steen, waarin de Kubieke verborgen zit. Een beest van een mens. Hij valt jagers aan, ontneemt hen hun prooi en laat hun niets meer te doen over in de steppe. De jager beklaagt zich bij zijn vader en die stuurt hem naar Gilgamesj – want niemand is sterker dan hij. Luister:

Gilgamesj zei tegen hem, tegen de jager:
Ga, jager, en neem Sjamchat, een dochter van Isjtar met je mee.
Wanneer hij komt om zijn kudde te drenken,
laat haar dan haar kleed afwerpen en haar charmes onthullen.
Zodra hij haar ziet, zal hij naar haar toekomen,
en zijn kudde, die met hem opgroeide in de steppe, zal hem ontrouw worden.

Isjtar is godin van liefde en oorlog en ‘dochter van Isjtar’ is een eufemisme voor tempelhoer. Samchat zou je een soort Maria Magdalena kunnen noemen, als dat niet een beschamend anachronisme zou zijn.  Via Sjamchat wordt Enkidoe uiteindelijk de mensenwereld in verleid.

TABLET 2    GEVECHT TUSSEN VRIENDEN

Als Enkidoe en Sjamchat in de stad komen, vindt er net een bruiloftsfeest plaats. Zoals gebruikelijk zal Gilgamesj ook bij dit huwelijk zijn 'recht van de eerste nacht' opeisen. Als koning ontmaagdt hij alle bruiden in zijn rijk en is zo, als het ware, de verwekker van al zijn onderdanen. Als Enkidoe dit hoort, ontsteekt hij in grote woede. Luister:

Hij was woedend.
Hij ging op hem af.
Op de Grote Markt stuitten zij op elkaar.
Enkidoe blokkeerde de deur met zijn voet
en verhinderde dat Gilgamesj naar binnen ging.
Ze pakten elkaar beet en vochten als stieren.
Ze versplinterden de deurposten, de muren trilden.
Gilgamesj en Enkidoe pakten elkaar beet
en vochten als stieren.
Ze versplinterden de deurposten, de muren trilden.
Toen gaf Gilgamesj toe, de voet nog op de grond.
Hij kalmeerde en draaide zich om.
Toen hij zich had omgedraaid, zei Enkidoe tegen Gilgamesj:
Je moeder baarde een uitzonderlijke man.
De godin Ninsoen, de wilde koe van de stal,
verhief jouw hoofd boven de anderen.
Enlil heeft je tot koning over het volk voorbestemd.
Zij omhelsden elkaar en sloten vriendschap.

Enkidoe is al minder ruw en meer kubiek. Als een vrijmetselaar spreekt hij lovende woorden: Ninsoen en Enlil zijn de goddelijke ouders van Gilgamesj. De strijdende partijen omhelzen elkaar, sluiten een onverbrekelijke vriendschap, une amitié inseparable.

Nu heeft Gilgamesj een vriend – laten wij hem Broeder noemen – een Broeder die hem uitdaagt en met wie hij het avontuur kan aangaan. Met wie hij kan worstelen als met een zijn andere ik, zijn geweten.
Enkidoe voelt zich nog niet helemaal lekker in de nieuwe constellatie. En als troost stelt Gilgamesj voor:

In het woud woont de verschrikkelijke Choembaba.
Jij en ik, we zullen hem doden
en daarmee al het kwaad op de wereld.
Laten we de cederboom vellen!

Gilgamesj wil de gevaarlijke, ongelijke strijd aangaan met de verschrikkelijke, onoverwinnelijke Choembaba, die in het cederwoud op de cederberg woont. Choembaba is de cederboom die geveld moet worden. Gilgamesj zoekt eeuwige roem. Maar Enkidoe is bang, hij kent de omstandigheden. Maar luister naar Gilgamesj:

Wat zijn dat voor slappe praatjes. Je mompelt maar wat.
Het doet pijn om te horen.
Ik zal beginnen.
Ik zal de ceders omhakken
en een eeuwigdurende naam vestigen.
Kom mijn vriend, laten we naar de smeden gaan,
opdat zij wapens voor ons gieten.
 
 
TABLET 3    EEUWIGE ROEM     

Dat gebeurt. Ze krijgen hun gereedschappen. Ze krijgen de zegen en goede raad van de Ouden en van Ninsoen, die zich zorgen maken over de overmoed van Gilgamesj. Luister naar de hun smeekbede:

Laat Enkidoe zijn vriend behoeden, zijn metgezel beschermen.
Laat hij hem veilig terugbrengen bij zijn bruiden.
Gezamenlijk geven wij de koning over in jouw hoede,
bij thuiskomst zul je hem weer aan ons toevertrouwen.

TABLET 4    GILGAMESJ DROOMT

De ervaren Enkidoe moet durfal Gilgamesj dus tegen zichzelf beschermen. Op weg naar hun doel krijgt Gilgamesj dromen die hem beangstigen, ook al is de uitleg die Enkidoe aan die dromen geeft juist bemoedigend. Luister:

Mijn vriend, ik had een vierde droom;
nog erger dan de drie vorige.
Ik zag de stormvogel Anzoe in de lucht.
Hij dreef als een grote wolk boven ons
met een verwrongen gezicht.
Zijn bek was vuur, zijn adem dood.
Er was ook een man.
Hij dook op in mijn droom.
Hij greep hem bij zijn vleugels
en smeet hem voor mij neer.
[Enkidoe  legt de droom uit:]
Je zag de stormvogel Anzoe in de lucht.
Hij dreef als een grote wolk boven ons
met een verwrongen gezicht
Zijn bek was vuur, zijn adem dood.
Je was bang voor zijn afschrikwekkende gezicht.
Ik zal je steunen.
De man die je zag was de machtige Sjamasj.

De Anzoe-vogel is een adelaar met leeuwenkop; de man die de vogel onschadelijk maakt is Sjamasj, de zonnegod, de brenger van het Licht dat schijnt in de duisternis.

Ondanks de gunstige uitleg van Enkidoe wordt Gilgamesj met elke droom steeds timider. Maar als Choembaba, de wachter van het woud, een angstaanjagende kreet door het woud schreeuwt, is het Enkidoe die de bibbers en Gilgamesj die de branie krijgt.

TABLET 5    HET GEVECHT MET HET MONSTER

Vlak voor de confrontatie met Choembaba is het toch weer Enkidoe die Gilgamesj moed inspreekt. Luister:

Eén alleen kan niet overwinnen,
maar twee kunnen het wel.
Vreemden verstrooien hun krachten,
vrienden verenigen ze.
Wij gaan een weg vol valkuilen,
die men alleen niet kan gaan.
Maar twee, als ze elkaar helpen, wel.
Een drievoudig gevlochten koord kan niet breken.
Sterker dan vader leeuw zijn zijn twee welpen.

Een lied voor in de Broederketen, Broeders: Lass uns met geschlungene händen uitzingen: Een alleen kan niet overwinnen, maar twee kunnen het wel. Vreemden verstrooien hun krachten, vrienden verenigen ze.
En dan vindt het gevecht plaats. Eerst een woordenstrijd, die Gilgamesj bang maakt, zodat Enkidoe hem weer moed moet inspreken, maar dan barst het los. Luister:

Met hun voeten stampten ze op de grond.
Door hun gespring barstten de Hermon en de Libanon.
Witte wolken werden zwart.
Dood regende als een nevel op hen neer.
De zuiden-, de noorden-, de oosten- en de westenwind.
Rukwinden, beukende winden, tornado’s, orkanen en onweersstormen, koortswinden, vrieswinden, gierende winden en wervelwinden.
Dertien winden verhieven zich tegen hem
en verduisterden Choembaba’s gezicht.
Hij kon niet naar voren, hij kon niet naar achteren.
Maar Gilgamesj kon met zijn wapens Choembaba wel bereiken.

Ze verslaan Choembaba en zijn zeven helpers, hakken de ceders om, maken er een vlot van en zakken de Eufraat af.

Enkidoe bestuurde het,
terwijl Gilgamesj het hoofd van Choembaba droeg.

TABLET 6    DE LIEFDE VAN ISJTAR

Weer thuis wast Gilgamesj zijn vervuilde haar, trekt schone kleren aan, hult zich in de koningsmantel en zet zijn kroon op. Wat een schoonheid is Gilgamesj! Zoveel schoonheid trekt het oog van Isjtar, u weet wel, godin van een vaker in oude en moderne literatuur voorkomende combinatie: seks en oorlog. Zij laat haar oog op Gilgamesj vallen.

Kom, Gilgamesj, wees mijn echtgenoot.
Geef mij je zaad.
Wees mijn man, en ik zal jouw vrouw zijn.

Maar Gilgamesj voelt niet zoveel voor een verhouding met Isjtar; hij kent uit verhalen het lot van haar vroegere minnaars. Isjtars liefde slaat gemakkelijk om in haat, waarna zij haar ex-minnaars verminkt, doodt of op een andere manier in het ongeluk stort. Gilgamesj wijst haar dus af. Nu moet je als man sowieso uitkijken met het afwijzen van een vrouw die zichzelf aanbiedt, maar zeker met godinnen. Dat leren alle godenverhalen die mannen verzonnen hebben. Isjtar ontsteekt in woede. Zij klaagt bij haar vader Anoe, god van de hemel, dat Gilgamesj haar uitgescholden heeft. Maar als die vraagt of zij het er niet zelf naar gemaakt heeft, dwingt zij Anoe de Hemelstier af om Gilgamesj te doden en zijn huis te verwoesten. Maar de onverschrokken Enkidoe en Gilgamesj verslaan en doden – o pure heiligschennis – de Hemelstier, rukken hem zijn hart uit en leggen het neer voor Sjamasj, de zonnegod.

Isjtar, boos uiteraard, vervloekt Gilgamesj. En Enkidoe treitert haar nog meer door haar een uitgerukte poot van de Hemelstier toe te werpen met de woorden:

Wanneer ik jou te pakken had gekregen,
had ik met jou hetzelfde gedaan.
Zijn darmen zal ik over je armen hangen.
Toen verzamelde Isjtar de vrouwen met het krulletjeshaar,
de meisjes van plezier en de tempelvrouwen om zich heen.
Zij hieven een klaagzang aan bij de uitgerukte poot van de Hemelstier

TABLET 7    DE DOOD VAN ENKIDOE

Zoveel heiligschennis kan niet ongestraft blijven. De goden vergaderen. Luister:

Anoe zei: Eén van hen moet sterven.
Enlil antwoordde: Laat Enkidoe sterven,
maar laat Gilgamesj niet sterven.
Toen zei de hemelse Sjamash tegen de heldhaftige Enlil:
Hebben ze niet op jouw bevel de Hemelstier en Choembaba gedood, en nu zou Enkidoe onschuldig moeten sterven?
Enlil richtte zich boos tot Sjamasj en zei:
Was jij het niet zelf die dagelijks met hen optrok
als één van hun kameraden?

Goden zijn duidelijk geen vrijmetselaren. Hoewel … soms hoor ik ook in vrijmetselaarskringen luidruchtig gehak aan elkaars ruwe steen. Goden zijn als mensen, als Broeders. Goden zijn grillig, in onderlinge strijd. En als er één god is, dan is die grilligheid binnen die ene god. Tussen mensen is strijd en in de mens zelf is strijd.

Die grilligheid kost Enkidoe het leven. Verzet tegen een god is net als verzet tegen het lot: zinloos. L’inseparable, het of de onafscheidbare, is een ideaal, niet haalbaar voor mensen. Enkidoe wordt ziek, valt ten prooi aan koortsaanvallen, vervloekt alles en iedereen in zijn leven. Sjamasj kalmeert hem. De rust keert in hem terug, maar in hoeverre? Luister:

Vanaf die dag namen Enkidoes krachten af.
Hij bleef liggen, een eerste en een tweede dag.
De dood zat bij Enkidoes bed.
Hij bleef liggen, een derde en een vierde dag.
De dood zat bij Enkidoes bed.
Hij bleef liggen, een vijfde, een zesde en een zevende dag.
Hij bleef liggen, een achtste, een negende en een tiende dag.
Zijn ziekte werd al erger.
Hij bleef liggen, een elfde en een twaalfde dag.
Toen richtte hij zich op, riep Gilgamesj en zei:
Ik ben vervloekt, mijn vriend.
Gelukkig hij die valt in de strijd.
Maar ik die bang was om te vechten,
zal niet vallen in de strijd
en eerloos sterven.

Tot aan je dood je verzetten tegen je lot? Terwijl je in je bed ligt te sterven, willen dat je in het harnas zou zijn gestorven?
Volop in het leven willen staan en daarin sneuvelen, is een jongensdroom, begrijpelijk als de dood nog ver weg is. Maar niet voor de oude of zieke voor wie het leven niet meer is dan wachten op de dood.
Enkidoe sneuvelt in bed.

TABLET 8    ENKIDOES BEGRAFENIS

Gilgamesj roept alles en iedereen op om te huilen. Luister naar zijn litanie:

Laten de wegen die wij naar het cederwoud gingen
dag en nacht om je huilen en niet zwijgen.
Laten de Ouden van het grote Oeroek,
het Oeroek van de schaapskooien,
om je huilen.
Laat het volk, dat na onze dood voor ons bidt,
om je huilen.
Laten de bergtoppen die wij samen beklommen hebben
om je huilen.
Laten de steppen als een vader en de velden als een moeder
om je huilen
Laten de ceders uitbreken in tranen van hars,
de ceders tegen wie wij ons in onze woede hadden bewapend.
Laten de beren, hyena’s, luipaarden, tijgers, herten en jakhalzen,
de leeuwen, wilde stieren, steenbokken, al de wilde dieren
om je huilen.
Laat de heilige rivier, aan de oever waarvan wij hanig liepen,
om je huilen.
Laat de schone Eufraat, waarvan wij zo vaak het water uit leren zakken dronken
om je huilen.
Laten de jongemannen van Oeroek,
het Oeroek van de schaapskooien,
die zagen hoe wij de Hemelstier doodden,
om je huilen.

TABLET 9    HET EEUWIGE LEVEN

De machteloosheid tegenover de dood van zijn dierbare vriend verandert Gilgamesj. Het dringt tot hem door dat ook hij op een dag zal moeten sterven. Luister:

 “Zal ik niet ook sterven?
Ben ik niet net als Enkidoe?”
Angst deed intrede in zijn gemoed.
“Ik ben bang voor de dood,
nu ren ik door de steppe.
Ik zal naar Oetnapisjtim, de zoon van Oebartoetoe, gaan.
Ik zal me haasten om hem te zien.”

Op zijn tocht naar Oetnapisjtim komt Gilgamesj vele obstakels tegen. De eerste zijn de door de Schorpioenmensen bewaakte Tweelingbergen,
die dagelijks de opkomst en de ondergang van de zon bewaken, waarvan de toppen tot in het hemelgewelf reiken
en waarvan de voeten in de Onderwereld rusten.
Luister naar het gesprek tussen Gilgamesj en een Schorpioenman, die wil weten wat Gilgamesj wil:

“Ik ben op weg naar Oetnapisjtim, mijn voorvader,
die voor de verzamelde goden stond en het eeuwige leven kreeg.
Ik wil hem vragen van leven en dood voorleggen.”
De Schorpioenman opende zijn mond, sprak en zei tegen Gilgamesj:
“Er is nog nooit iemand geweest, Gilgamesj, die die weg is gegaan.
Er is nog nooit iemand geweest
die tot in de diepte van het gebergte is doorgedrongen.
Twaalf dubbele mijlen lang heerst er duisternis in zijn binnenste.
Zo diep is de duisternis dat er geen enkel licht is.”
Gilgamesj zei tegen de Schorpioenman:
“Het is uit angst voor de dood dat ik door de steppe dwaal.
Met beklemd gemoed ben ik tot hier gereisd.
Door regen en zonneschijn is mijn gezicht getaand.
Zuchtend en steunend heb ik de weg afgelegd.
Wijs jij mij nu de weg door het gebergte.”

Gilgamesj mag door de bergpoort. Dat wordt een reis door een tunnel van twaalf dubbele mijlen door de diepste en binnenste duisternis om na die twaalf dubbele mijlen het Licht aan het eind van de tunnel te zien, in het paradijs te komen, waar edelstenen aan bomen groeien. Luister:

Hij bevond zich in de tuin met de bomen der goden.
Hij ging ernaartoe om ze te zien.
De Kornalijn-boom droeg vrucht.
In trossen hingen ze aan de bomen; prachtig om te zien.
De lapis lazuli-boom was vol in blad; een fantastisch gezicht.

Kornalijn en Lapis Lazuli zijn edelstenen. In het paradijs staan edelsteenbomen! Hier schijnt het Licht. En dus wandelt tussen die bomen Sjamasj, de zonnegod. En die spreekt hem aan, omdat hij zich zorgen maakt. Omdat Sjamasj zich zorgen maakt over Gilgamesj.  Luister:

“Gilgamesj, waar ga je heen?
Het leven dat je zoekt, zul je niet vinden.”
Gilgamesj  zei tegen hem, tegen de held Sjamasj:
“Moet ik na het lopen en rennen door de steppe
mijn hoofd in de Onderwereld ter ruste leggen?
Moet ik dan soms jarenlang slapen?
Liever zien mijn ogen de zon
en verzadigen zich aan het licht.
Maar in de leegte van de duisternis – hoeveel licht is daar?
Wanneer aanschouwt een dode ooit weer de glans van de zon?

TABLET 10  HET WATER DES DOODS

Gilgamesj zet zijn tocht dus toch door en belandt in een herberg aan de oever van de zee. De kroeg wordt gerund door Sidoeri, de kasteleinse. En u weet, in een kroeg krijg je de beste levensadviezen die er bestaan, terwijl ze een biertje voor je tappen. Zeker als je net al je ellende op tafel hebt gelegd. Luister naar wat Sidoeri tegen Gilgamesj zegt:

 “Gilgamesj, waar ga je heen?
Het leven dat je zoekt, zul je zeker niet vinden.
Toen de goden de mensheid schiepen,
gaven ze de dood aan de mensen;
het eeuwige leven hielden ze voor zichzelf.
Dus, Gilgamesj, eet je dik!
Maak pret, vier dagelijks feest!
Ga dag en nacht dansen, maak muziek!
Laten je kleren schoon zijn en je hoofd gewassen,
baad jezelf in water!
Zie het kleintje dat je hand vasthoudt,
laat je vrouw zich verheugen op je mannelijk vuur!
Dat is wat een mens moet doen!”

Broeders! Alsof je met Youp van ’t Hek in de kroeg zit.
Maar Gilgamesj laat zich niet overtuigen. Gilgamesj is gehecht aan zijn probleem en start weer zijn tranen-trekkende klaagzang over de dood van zijn dierbare Broeder Enkidoe. En dat werkt zelfs bij deze ervaren barvrouw. Sidoeri wordt er slap van in de knieën en wijst Gilgamesj de weg naar het eiland van Oetnapisjtim. Zoek de veerman van Oetnapisjtim, Oersjanabi. Hij staat in het bos ceders te schillen. Hij heeft de stenen dingen, waarmee de veerboot wordt voortbewogen, zonder welke het water des doods niet kan worden overstoken. Alleen Oersjanabi kan jou naar Oetnapisjtim brengen.

Maar als Gilgamesj Oersjanabi vindt, slaat hij in woede die stenen dingen kapot – waarom hij woedend is, vertelt het verhaal niet. De kleitabletten zijn niet volledig. Is hij te vermoeid door zijn lange reis?
Als Gilgamesj ook bij Oersjanabi zijn treurend hart heeft uitgestort, vraagt hij de veerman:

“Oersjanabi, wat is de weg naar Oetnapisjtim?
Geef me aanwijzingen, geef me tekens.
Als het mogelijk is, zal ik de zee oversteken.
Als het mogelijk is, zal ik door de steppe lopen.”
Oersjanabi zei tegen hem, tegen Gilgamesj:
“Je hebt met eigen handen de oversteek verhinderd.
De stenen dingen waren het die mij naar de overkant brachten,
zodat ik met het water des doods niet in aanraking kwam.
In je woede heb je ze kapot geslagen;
de stenen dingen die ik had om me over te brengen.
Gilgamesj, neem je bijl ter hand, ga het bos in
en hak honderdtwintig staken van elk vijf maal twaalf el.
Schil ze, maak er vaarbomen van
en breng ze naar mij toe."

Dat gebeurt. Ze gaan aan boord en leggen in drie dagen een weg af van anderhalve maand – het is een mythe, Broeders, daarin kan dat –. Dan bereiken ze het water des doods. Nu komen de vaarbomen van pas. Alle honderdtwintig. Maar ze zijn er nóg niet. Gilgamesj trekt zijn kleren uit en heft ze met zijn hand op tot een zeil. Zo komen ze op het eiland aan, waar Oetnapisjtim van de kant al staat toe te kijken, zich afvragend waarom de stenen dingen van het schip gebroken zijn en de veerman niet stuurt en wie die ander is die daar met zijn kleren staat te wapperen.
Gilgamesj vertelt voor de zoveelste keer zijn verhaal, maar voor de eerste keer aan Oetnapisjtim. Hij vertelt hoeveel inspanningen hij zich heeft getroost om te komen waar hij nu is. En Oetnapisjtim reageert. Luister:

“Waartoe heb je je ingespannen?
Wat heb je bereikt?
Je hebt jezelf uitgeput in vermoeienissen.
Droefenis voer in je spieren.
Het enige wat je doet, is het einde van je dagen dichterbij brengen.
De mensen worden als riet in een rietkraag geknakt.
De dood neemt zowel de sterke jonge man
als het mooie meisje weg.
Niemand wil de dood zien.
Niemand wil het gezicht van de dood zien.
Niemand wil de roep van de dood horen.
Maar de grimmige dood maait iedereen neer.
Wij stichten gezinnen.
Wij zegelen testamenten.
De broers verdelen de erfenis.
Tweespalt heerst in het land.
Altijd maar door rijst de rivier en brengt hoogwater.
Libellen drijven stroomafwaarts.
Ogen die in de zon kunnen kijken, hebben nog nooit bestaan.
Plotseling is er niets meer.
De slapende en dode, wat lijken ze op elkaar!
Een afbeelding van de dood bestaat niet.
Vergeefs is het gebed van een dode.
De Anoennaki, de grote goden, komen bijeen.
Mamitoe, de schepster van het lot,
stelt samen met hen de bestemming vast.
zij bepalen dood en leven.
Zij delen niet het aantal dagen van de dood mee.
Alleen die van het leven leggen ze vast.”

Broeders! Alsof je de bijbel hebt opengeslagen bij het boek Prediker. Net zo mooi, net zo bitter, net zo nuchter, net zo illusieloos. De waarheid is naakt als een nudist. Alleen tussen mensen die hun kleren hebben aangehouden, geeft hij aanstoot.

TABLET 11  TERUGKEER NAAR OEROEK

Gilgamesj vraagt Oetnapisjtim hoe hij het eeuwig leven kreeg. Luister:

“Ik zal je een geheim vertellen, Gilgamesj.
Verborgen zaken van de goden zal ik voor je onthullen.
Sjoeroeppak, een stad die je goed kent,
een zeer oude stad aan de oever van de Eufraat,
was de woonplaats van de goden.
De grote goden vatten het plan op een watervloed te ontketenen.
Zij overlegden met Anoe, hun vader,
met Enlil, hun raadgever,
met Ninoera, de troondrager,
en met Ennoegi, de inspecteur van de kanalen.
Ook de vooruitziende Ea nam aan de zitting deel.
Hij vertelde hun plannen door aan een rieten hut.
“Riethut, riethut! Wand, wand!
Riethut, luister! Wand, let op!
Man van Sjoeroeppak, zoon van Oebartoetoe,
breek je huis af, bouw een boot.
Doe afstand van je rijkdommen; houd alleen de levende have.
Geef je bezit op, en red je leven.
Breng het zaad van al wat leeft in het schip.
Laat de boot die je bouwt de juiste afmetingen hebben.
De lengte en breedte moeten gelijk zijn.
Maak er een dak op zoals de Apsoe heeft."

De Apsoe is de zoetwateroceaan in de diepte van de aarde, het grondwater dus. In het Oudbabylonische vloedverhaal ‘Atrachasis’ wordt verklaard dat het dak er is om de zonnegod te verhinderen in de Apsoe te kijken, dat wil zeggen dat het er altijd donker is. De Apsoe is het domein van EA en dus is het logisch dat hij de plannen van de goden doorspeelt aan de rieten wand van de hut waar Oetnapisjtim, de zoon van Oebartoetoe, ligt te slapen. Die hoort het in een droom.
Oetnapisjtim bouwt de boot, misleid de stedelingen, en overleeft met zijn vrouw als enige de watervloed. Als de vloed weg ebt, strandt het schip op de berg Nimoesj. Na zeven dagen laat hij een duif los, die weg vliegt en weer terugkomt omdat ze nergens een rustplaats kan vinden. Een tweede poging met een zwaluw geeft hetzelfde resultaat. Een derde poging slaagt: de losgelaten raaf keert niet terug. Hij keert zich naar de vier windstreken en bidt. Dan offert hij aan de goden op de top van de berg. Die ruiken de geur en komen er als vliegen op af. Ze maken nog wat ruzie over of het nou wel zo’n goed idee was, die watervloed, maar uiteindelijk verzoenen Enlil en Ea zich. Enlil besluit dat Oetnapisjtim en zijn vrouw goden worden en dat ze gaan wonen, ver weg, aan de monding van de rivieren.
Zo is het gegaan.
De echo van dit verhaal hoor je in het verhaal van Noach. In de allervroegste vrijmetselaarsritualen was het Noach-verhaal, met het bouwen van de boot om de zondvloed te overleven, de dragende mythe, totdat die plaats werd ingenomen door de tempelbouw van Salomo. Een interessant gegeven, maar wij blijven nu bij Oetnapisjtim, die tegen tegen Gilgamesh zegt:

“Wie zal voor jou de goden bij elkaar roepen,
opdat je het eeuwige leven dat je zoekt, zult vinden?
Probeer, om te beginnen, niet te slapen gedurende zes dagen en zeven nachten.”
En prompt valt Gilgamesj in slaap. En Oetnapisjtim geeft zijn vrouw opdracht elke dag dat hij slaapt versgebakken brood bij zijn hoofdeinde neer te zetten. Dat doet zij en streept op de muur de dagen aan die hij slaapt.
De eerste portie was al helemaal uitgedroogd.
De tweede was bedorven, de derde vochtig.
Van de vierde was de korst wit uitgeslagen.
De vijfde zag er grauw uit en de zesde was goed gaar.
De zevende net klaar.
Op dat ogenblik raakte Oetnapisjtim hem aan
en maakte hem wakker.
Gilgamesj zei tegen hem, tegen de verre Oetnapisjtim:
“Zodra ik in slaap viel heb je mij wakker geschud.”
Oetnapisjtim zei tegen hem, tegen Gilgamesj:
“Kijk, Gilgamesj, tel je dagelijkse porties.
Die zullen je bewijzen hoe lang je hebt geslapen.
Je eerste portie is helemaal uitgedroogd.
De tweede is bedorven, de derde vochtig.
Van de vierde is de korst wit uitgeslagen.
De vijfde ziet er grauw uit en de zesde is goed gaar.
en de zevende net klaar, toen ik je wakker schudde."

Al staat het niet in de Bijbel, Broeders, het klinkt als de tale Kanaäns. Het is geen tekst uit onze ritualen, Broeders, maar het raakt aan de zeven treden van de trap naar de Middenkamer.

Gilgamesj geeft op. De Grijpduivel heeft hem te pakken. De dood zit in zijn slaapkamer. Overal waar hij zijn voet zet, is ook de dood.

Hij krijgt Oersjanabi mee als zijn reisgezel terug naar Oeroek. Als troost mag hij nog een plant plukken op de bodem van de zoetwaterzee, een 'middel tegen onrust', een plant die verjongt.  Maar als ze onderweg uitrusten aan de oever van een meertje, sluipt er een slang uit het meertje en slokt de plant helemaal op. En inderdaad, u kunt het raden: het werkt: als teken van verjonging werpt de slang onmiddellijk zijn oude huid af. Maar ja, nou is de plant weg en moet Gilgamesj naar huis zonder onsterfelijkheid én zonder verjongingskuur. En ineens moet hij erom lachen als om een goed vertelde mop.

Gilgamesj accepteert zijn lot en eenmaal terug in het zicht van zijn eigen Oeroek ziet hij hoe mooi zijn stad is. Trots voert hij Oersjanabi langs de massieve muren en de prachtige gebouwen en vertelt hem daarbij over zijn dierbare stad. Hij is nog nooit zo trots geweest op wat hij heeft. Nu hij de dood aanvaardt, waardeert hij het leven des te meer en ziet in dat hij er iets van moet maken waar hij trots op kan zijn.

TABLET 12   ENKIDOE IN DE ONDERWERELD is een epiloog. Mijn verhaal is al te lang. Die mag u zelf lezen.

Ik ga afsluiten.

Ooit zag ik het leven als een seksueel overdraagbare aandoening met dodelijke afloop.

Ik kwam een Broeder tegen, die mij spiegelde, mijn andere ik, noem hem Enkidoe. Hij zei tot mij: Zonder liefde is het leven een seksueel overdraagbare aandoening met dodelijke afloop. Doe er dus wat liefde bij.

Gehecht aan mijn cynisme bleef ik liefde zien als een woord, als taal die iets toevoegt aan een werkelijkheid, maar zelf geen werkelijkheid is.

Toen mijn Broeder er niet meer was, ben ik gaan reizen. Ik wilde bewijzen dat het leven geen zin heeft en liefde een woord is zonder werkelijke inhoud. En het leven bevestigde mijn cynisme. Tot ik op een dag weer thuiskom in mijn stad, mijn loge en daar als Meester met open armen ontvang en word ontvangen en plots ontdek ik dat ik alleen maar hoef toe te geven dat die open armen er zijn om met open armen ontvangen te worden. Ik ontdek de vijf punten van het Meesterschap. Pas als het leven je loslaat, pas als je het leven loslaat, kun je het leven bevatten, weet je wat het betekent dat het Licht schijnt in de Duisternis, dat Licht liefde voor het leven is en voor de dood.

Ik ben blij dat ik het Gilgamesj-epos heb mogen lezen. Ik kan de boodschap niet vaak genoeg ingepeperd krijgen.

 


Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint