-
45
Bouwstuk opgeleverd
2017 11 13 Fides Frisia [SPR-versie]
2017 12 04 Het Noorderlicht
2018 01 20 Het Rozekruis [SPR-versie]
2018 03 23 L'Inséparable
2018 05 29 Thorhem
2018 10 05 De Friesche Trouw
2018 10 10 Le Profond Silence
2018 11 08 Concordia Res Parvae Crescunt
2018 12 06 Het Azuren Gewelf
2019 01 21 De Veluwe
2019 01 22 Frederic Royal
2019 02 04 Humaniteit
2019 03 27 Ken U Zelven

HET BOEK JOB
 
In het september/oktober-nummer van Thoth 2018 staat een artikel van Broeder Ton de Kok waarin hij ervoor pleit de Ethica van Aristoteles of Spinoza op de Zuivere Kubiek te leggen in plaats van de Bijbel. Voor hem verzwakt de Bijbel als Christelijk symbool het “[horizontaal] rationeel-filosofisch” karakter van de vrijmetselarij. Ik kies een andere positie. Voor mij vormt het boek samen met de Passer en de Winkelhaak de drie Grote Lichten op de Zuivere Kubiek. Net als Passer en Winkelhaak is ook het boek een symbool. Het symboliseert geen standpunt, geen positie, geen monisme en geen dualisme, maar het menselijk onvermogen het zonder beelden en standpunten te stellen. Juist omdat de bijbel een chaotische verzameling is van [gods]beelden en menselijke invullingen van wat ons te buiten en te boven gaat, is die boekenverzameling geschikt om een verbindende rol te vervullen tussen de Broeders [en Zusters] met hun uiteenlopende invullingen van de ongekende werkelijkheid. Voorwaarde is dat de vrijmetselaar bereid is het 1e Grote Licht, net als het 2e en 3e Grote Licht, als een symbool te zien.  

Het mooiste bewijs dat de Bijbel dat symbool kan zijn levert het boek "Job".
 
Stel het volgende gebeurt. Een Voorzittend Meester van een Loge ontvangt een week voor de inwijdingsdatum de volgende brief van de in te wijden kandidaat:
 
Geachte Voorzitter, 

Het is nu ruim twee maanden geleden dat ik een gesprek heb gehad met vier van uw Broeders om te bezien of de vrijmetselarij iets voor mij en ik iets voor de vrijmetselarij zou kunnen betekenen. Ik had zelf een goed gevoel na twee gesprekken met individuele leden van uw loge en ook het gesprek dat mijn vrouw en ik hadden met u zelf bij ons thuis was warm en vertrouwenwekkend. Dat geldt ook voor de open avond die ik in uw loge heb meegemaakt. Hoewel ik daar dus weinig aanleiding voor had, was ik toch behoorlijk nerveus voor dat gesprek met wat jullie noemen: de commissie van onderzoek. Misschien ligt het aan de naam – ik had een associatie met de inquisitie – hoe dan ook: ik kwam gespannen binnen. Maar de ontvangst was allerhartelijkst en de sfeer van het gesprek vanaf het begin open en vriendelijk. Een van de onderwerpen die ter sprake kwam was mijn verhouding tot het goddelijke. Ik heb eerlijk verteld dat ik niet in het bestaan van een god geloof en dat ik ook moeite heb te begrijpen dat anderen dat wel doen, maar ook dat ik besef dat niemand de waarheid in pacht heeft, dus ik ook niet. Op de vraag of ik er moeite mee zou hebben een gelofte af te leggen op de Bijbel, heb ik aangegeven dat ik het niet voor-de-hand-liggend vind om dat te doen, maar dat het ook niet onoverkomelijk zou zijn. Bij nader inzien constateer ik toch een dilemma. Ik vind mijzelf hypocriet, als ik een gelofte afleg op een boek, waarin ik niet kan geloven. Blijkbaar neemt dat boek voor de vrijmetselarij een centrale positie in; daar heb ik moeite mee. Kunt u dat dilemma nog voor mij oplossen voor ik me laat inwijden? Sorry dat ik er zo laat mee kom. 

Een verwarde kandidaat

Stel ik ben die Voorzittend Meester. Wat moet ik dan met deze brief? Uiteraard hem beantwoorden. Ik heb me net de afgelopen weken weer eens in het Bijbelboek Job gestort, voor mij, in competitie met Prediker, het meest intrigerende boek in de boekenverzameling die de Bijbel is. Waarom? Omdat beide boeken al in mijn klein-seminarietijd mijn godsbeeld hebben bepaald en er ook voor hebben gezorgd dat ik uiteindelijk mijn priesterroeping heb moeten laten varen. En nu gaat het boek Job mij helpen om de kandidaat van een zodanig antwoord te voorzien, dat hij zonder zijn verwarring kwijt te raken, toch zijn handen kan leggen op de Passer en Winkelhaak, liggend op Johannes 1 vers 5: “Het Licht schijnt in de Duisternis en de Duisternis heeft het niet gevat”.

Dit is mijn brief aan de verwarde kandidaat.

“Was ik maar nooit geboren. Waarom ben ik niet in mijn moeders schoot gestorven of waarom heb ik niet meteen na mijn geboorte mijn laatste zucht geslaakt? Waarom heeft mijn moeder me op schoot genomen, waarom hebben haar borsten me gezoogd? Wat is het heerlijk om dood te zijn, rust te hebben, te slapen, ongestoord. Was ik maar een miskraam geweest, een embryo die nog niet aan leven toe was. Waarom zien ongelukkigen het levenslicht, waarom moeten ze in bitterheid leven? Ze kijken uit naar de dood, de dood is hun grootste schat, ze zouden juichend in hun graf springen, maar de dood komt niet. Gezucht en gesteun is mijn dagelijks brood en de klacht is het water dat ik drink. Ik heb geen rust meer, geen vrede, de onrust zit me voor altijd op de hielen.”

Ik heb hier hoofdstuk 3 van het Bijbelboek Job ingekort geparafraseerd. Het zijn de eerste woorden die de in zak en as zittende Job spreekt tot zijn vrienden die sinds zeven dagen en nachten bij hem zijn, zogenaamd om hem te troosten.
Waarom begin ik mijn brief hiermee? Niet omdat jouw dilemma me in een toestand van ultieme misère heeft gebracht. Zo erg is het niet, maar … je hebt me wel even in zak en as laten zitten, zo vlak voor een geplande inwijding.
Waarom dan wel? Omdat ik met behulp van het Bijbelboek Job op zoek wil gaan naar de oplossing van jouw dilemma. Een omslachtig verhaal wordt het. Je zult er een Jobsgeduld voor nodig hebben. En ik weet niet of het je zal overtuigen. Ik hoop dat het lukt. Anders zal ik de jobsbode moeten zijn die de jobstijding aan de loge zal overbrengen. Het zij zo.

Waarom het antwoord zoeken in het boek Job? Omdat het een boek is in de Bijbel, dat jouw dilemma aan de orde stelt. En als jij je gelofte af zou leggen op de Bijbel, dan zou jij ook op Job je gelofte afleggen. Het boek Job begint zo: 
 
“Er was eens een man, in het land Us, Job genaamd, en die man was volmaakt en oprecht, godvrezend en wars van kwaad.”

De opening van het boek Job maakt van het verhaal dat verteld gaat worden een sprookje: Er was eens …. Het land Us is, net als het fantasie-land van Oz, een niet bestaand land. Job is een sprookjesfiguur en alleen in sprookjes komen mensen voor die onmenselijk zijn. Een volmaakt mens is een contradictio in terminis, een onmenselijk mens. Of je moet ervan uitgaan dat een mens een volmaakt mens is als hij onvolmaakt is. Kun je het taalspelletje nog volgen? Vrijmetselarij zit vol met dit soort paradoxen. Vrijmetselaars hakken aan hun ruwe steen om er een zuiver kubieke steen van te maken: wij willen volmaakt worden. Wie al volmaakt is, heeft niets in de vrijmetselarij te zoeken. Paradoxaal? Wen er maar vast aan, voor als je er straks ja tegen zegt.
Tot de volmaaktheid van de sprookjesmens Job behoort dat hij oprecht, godvrezend en wars van kwaad is. Het gaat Job voor de wind: hij is puissant rijk en vader van zeven zonen en drie dochters, die alle dagen feest vieren. Om eventuele zonden van zijn kinderen te compenseren brengt de godvrezende Job alle dagen offers aan god.
Ook de andere personages in het sprookje komen voort uit de pen van de schrijver: naast Job, zijn vrouw, de zogenaamde vrienden, god en zijn tegenspeler Satan. Alles wat die personages zeggen en doen is door de sprookjesschrijver bedacht en staat in het teken van de moraal van het sprookje.
In het sprookje houdt god een vergadering met zijn godenzonen. Ook Satan komt; hij is een godenzoon. Job komt bij toeval op de agenda, als God zijn tegenspeler vraagt:

God:          “Waar kom jij vandaan?” 
Satan:        “Ik? ik heb net een rondje aarde gemaakt. En ik zeg je: het is me een                        zooitje daar.” 
God:           “Nou, dan heb je toch mooi Job gemist, want als er iemand op de                            aarde is die volmaakt is en oprecht, godvrezend en wars van kwaad,                        dan is het Job.”                    
Satan:         “Ja, ammehoela, zo kan ik het ook. Jij hebt hem goed gezegend met                         al zijn rijkdom en kinderen. De cruciale vraag is of hij om niet                               godvrezend is, of hij niet al zijn offers plengt alleen om zeker te zijn                       van jouw zegeningen. Laten we hem beproeven. Pak ‘m alles af,                             dan zal hij wel anders piepen. Wedden?” 
 God:           “Deal! Ga je gang, pak ‘m alles af, zijn rijkdom en zijn kinderen,                              maar kom niet aan hem zelf.”

Satan pakt Job alles af, zijn rijkdom en zijn kinderen, maar Job blijft onmenselijk volmaakt: hij scheurt zijn kleren, scheert zich kaal, valt op zijn knieën en zegt:

“God geeft, god neemt, maar ik blijf hem loven omdat hij mijn god is.”

Bij de volgende Algemene Ledenvergadering van de hemelbewoners is Satan er ook weer en god brengt Job zelf ter sprake. God is trots op zijn Job en zegt tegen Satan:

God:           “Wees eerlijk en geef toe dat ik de weddenschap gewonnen heb.” 
Satan:         “Ik geef toe dat je tot nu toe gelijk hebt, maar dat was te voorspellen.                       Ik heb hem alleen zijn bezittingen, waaronder zijn kinderen, af                               mogen pakken en daar pak je Job niet mee. Maar als ik hem zelf                             mag treffen, als ik hem zijn kostbaarste bezit, zijn gezondheid, mag                       afnemen, dan moet ik het nog zien of hij je trouw blijft. 
                     Ik wed van niet.” 
God:           “Wat ben jij vreselijk! Oh! Maar goed, als het moet dan moet het.                             Doe verder met Job wat je wil, maar laat hem in leven. 
                     Ik gok op Job.” 

En Satan bezorgt Job de meest vreselijke ziektes waarvan je net niet doodgaat. Hij zit onder stinkende, etterende zweren, die nog vreselijk jeuken ook. Met een scherf zit hij zich de ganse dag te krabben tot bloedens toe. Hij ziet er afstotelijk uit en niemand wil meer in zijn buurt zijn. Zelfs zijn vrouw valt hem af en roept van veilige afstand:

“Man, houd toch op het braafste jongetje in gods klas te zijn. Laat die god, die je van alles berooft, behalve van je leven, in godsnaam barsten en kies voor de dood.”

Maar Job blijft volhouden: wie de meevallers van god aanneemt, moet ook de tegenvallers accepteren. En Job trekt zich in de eenzaamheid van de woestijn terug, waar drie vrienden hem komen opzoeken, om hem zogenaamd troost te bieden. En na zeven dagen en nachten zijn we dan weer terug bij waar ik mijn verhaal begonnen ben: bij Jobs klaagzang. 
 
Hiermee heb ik de eerste drie hoofdstukken van het boek Job samengevat. Het is een andere taal en een andere god dan je in de Bijbel zou verwachten. Het boek Job is een vreemd boek tussen de Bijbelboeken. Maar het maakt er niet voor niets deel vanuit.

De lezer zou meteen door moeten hebben dat de god van dit sprookje een karikatuur is. Ik geef toe dat veel vertalers dat niet gezien hebben of niet hebben willen zien. Er zijn meerdere versies van het Job-verhaal – waar ik je verder niet mee lastig zal vallen – maar het is wel goed dat je weet dat de bijbelversie verminkt is door toevoegingen en veranderingen door een latere schrijver die het satirisch karakter volstrekt niet heeft begrepen. Het gevolg is dat het boek Job vaak als een theologisch dispuut over god wordt geïnterpreteerd in plaats van als een satirisch sprookje waarin mensen zich in alle bochten wringen om het beeld van de god overeind te houden dat ze zelf van hem gemaakt hebben: een rechtvaardige god die de goeden beloont en de kwaden straft.

De weddenschap tussen de sprookjesgod en de satan staat symbool voor de krankzinnigheid van dit godsbeeld. De sprookjesgod gedraagt zich menselijk. Alleen mensen kunnen zich – hoe wonderlijk is hun taalgebruik – onmenselijk gedragen. Onmenselijk moet je eigenlijk lezen als: niet in overeenstemming met het beeld dat wij van de mens gemaakt hebben; onmenselijk is onwenselijk. De sprookjesgod handelt naar het model “zo beneden, zo boven”. Deze sprookjeshemel in het boek Job is niet het ideaalbeeld, maar een spiegel waarin de mens zichzelf ziet. En jij en ik weten dat de mens liever niet wil zien wat hij in die spiegel ziet. Het spiegeldbeeld is een pijnlijk beeld. Alleen de mens kan een god bedenken die zo handelt en vervolgens de argumenten verzinnen waarom die god toch deugt. Over die mens gaat dit sprookje, niet over God met een hoofdletter, de God die geen naam mag hebben, waarvan we ons geen beelden mogen maken.

Maar wat je voor dit verhaal en voor jouw dilemma vooral moet begrijpen is dat Job, die nu van zijn rijkdom, kinderen en gezondheid wordt beroofd vanwege een weddenschap, niet weet dat hij het slachtoffer is van een weddenschap tussen de sprookjesgod en de satan. Dat geldt ook voor zijn vrienden die nu aan het woord komen. Wij weten het wel, omdat de sprookjesverteller het ons verteld heeft. Wij zijn nu beterweters, de goede verstaanders. Wij kennen het geheim, wij zijn ingewijd.

Na zeven dagen van stilte heeft Job dan eindelijk gesproken en dat is het signaal voor de vrienden om ook hun mond open te trekken, want eindelijk hebben ze iets gehoord waarop ze kunnen reageren. Ik ga die reacties en de reacties daarop van Job niet apart bespreken – die beslaan de hoofdstukken 4 tot en met 37 en zijn gemakkelijk kort samen te vatten. De kern van de reacties van de drie vrienden is dat de volmaakte mens niet kan bestaan. De ellende waarin Job verkeert is het bewijs is dat ook hij gezondigd moet hebben. Sterker nog, Jobs ontkenning dat zijn straf gerechtvaardigd is, is al voldoende zondig om zijn straf te rechtvaardigen.

Multatuli moet aan het boek Job gedacht hebben toen hij als motto voor de Max Havelaar de parabel schreef die later foutief als “Barbertje moet hangen” de taalgeschiedenis is ingegaan. Die inhoud van die parabel is als volgt:

Een man, Lothario, wordt ervan beschuldigd Barbertje te hebben vermoord. De rechter oordeelt dat hij moet hangen. Lothario verdedigt zich: hij heeft Barbertje altijd goed verzorgd, en hij weet niets van de moord. Daarop beschuldigt de rechter Lothario ook nog van eigenwaan, ook een doodzonde. Op dat moment komt Barbertje - springlevend - de rechtszaal binnenwandelen. De rechter moet toegeven dat Lothario niet van moord beschuldigd kan worden. Hij is echter nog steeds schuldig aan eigenwaan en moet daarvoor hangen.

De redenering van de rechter is gelijk aan die van de drie vrienden en de verdediging van Job is gelijk aan die van Lothario. De drie vrienden zeggen dat Job vanwege zijn zonden zo gestraft wordt. Maar ik heb niets gedaan, zegt Job. Dat is nou net jouw zonde, Job. Door te zeggen dat jij geen zondaar bent, beschuldig je God dat hij je onterecht straft. Dat is heiligschennis.

De theologie heeft bibliotheken vol geschreven om de god overeind te houden die het goede beloont en het kwade straft. Alleen al met de geschriften om het boek Job zo uit te leggen dat hun eigen god overeind blijft, kun je een aantal boekenkasten vullen.

Na de karikatuur van god in de drie eerste hoofdstukken zou de lezer toch geen twijfel meer mogen hebben dat hij hier met satire te maken heeft, maar geloof doet soms rare dingen met mensen. Ik begrijp dat jij mensen die daarin geloven niet kunt begrijpen. Maar ik stel wel vast: het zegt alleen iets over mensen, niets over God.

Dit geeft Job als reactie op de toespraak van de derde vriend – als je ’t na wilt lezen, het is hoofdstuk 13 en alles wat daarna komt is met andere woorden uiteindelijk hetzelfde. Ik vertel het in mijn eigen woorden, maar de essentie blijft overeind. Job:

“Jullie zijn werkelijk het toppunt van wijsheid. Nee echt, naast jullie wijsheid valt alles in het niet. Maar ook ik heb verstand, echt waar, Ik ben niet achterlijk, ik ken de leer die jullie verkondigen van haver tot gort. 
Dit is mijn waarheid: Jullie lachen me uit omdat ik god om uitleg vraag. Jullie lachen om een vriend die onschuldig is. Als het ongeluk je treft, is minachting je deel, dat weet ik nu. Ik heb mijn les geleerd. Dat is wat je krijgt van je vrienden, van de burgerlijke burger bedoel ik, van de vent die zelf per ongeluk niet is getroffen door het ongeluk en dat ziet als een geweldige prestatie van hemzelf. Wie struikelt geven jullie een trap na.   
Wat is de werkelijkheid? Wat ik zie is dit. De gemeenste boeven zitten rustig thuis, ze schelden god uit en zijn veilig; met gulle hand schenkt hij hun voorspoed. 
Kijk om je heen en je ziet het, waar of niet? Vraag het de dieren, ze weten het. De vogels zullen je het zingend uitleggen. Vraag het de aarde, de vissen, ze weten het allemaal: zo doet god het. Wat hij kapot maakt komt niet overeind. Wie hij achter slot en grendel zet komt niet meer vrij. Hij houdt de regen tegen en het land verdort. Hij zendt stortregens en alles verdrinkt. Advocaten stuurt hij berooid de laan uit, rechters lacht hij uit, koningen rukt hij hun koningsmantel af en doet ze een schaamlapje, een schootsvelletje voor, priesters stuur hij in lompen gehuld de straat op, aanzienlijke burgers laat hij failliet gaan, adviseurs komen niet meer uit hun woorden, en oude mannen maakt hij seniel. 
Dat alles overkomt ze, zonder dat ze enig kwaad hebben gedaan. Hele volksstammen maakt hij groot om ze daarna weer af te maken, echt waar, ik heb het allemaal gezien, gehoord en begrepen. 
Wat jullie weten, weet ik ook, want ik ben niet achterlijk. 
Dit is het enige wat ik verlang: ik wil god spreken en me tegenover hem verdedigen. Maar wat doen jullie? Jullie dekken alles toe met leugens omdat jullie minkukels zijn. 
Hou alsjeblieft je kop als je nog een beetje verstand wil overhouden. Luister naar mijn verdediging, hoor mijn pleidooi! Of willen jullie liever blijven liegen en God naar de mond praten? Wil je partijdig zijn, gods advocaatje spelen? Doe niet zo dom, dat heeft hij door. Hij is geen mens, hij laat zich niet voor de gek houden. Als je ongegrond partij voor hem kiest, dan neemt ie je te grazen, reken maar! Nee, hou je mond, laat mij aan het woord. Ik neem alle risico’s, ik aanvaard de dood met veel plezier. Als god me wil doden, is hij van harte welkom, maar ik blijf me verdedigen, hardop, en recht in zijn gezicht. En ik zeg jullie: dat zal mijn redding worden. God zal merken dat ik niet lieg, want leugenaars durven hem niet tegen te spreken. Ik wel.”
 
Kijk! Jouw dilemma bewijst dat jij Job bent. Jij durft een vraagteken te zetten, jij slikt niet voor zoete koek wat je wordt voorgehouden. Jij wilt weten waarom jij je gelofte moet afleggen op een boek dat voor jou ongeloofwaardig is. Kort gezegd is het antwoord, omdat je niet alleen Job bent, je bent ook zijn drie vrienden. Je bent mens en geen karikatuur van een mens. De menselijke mens is volmaakt mens, als hij niet voldoet aan het beeld dat de mens van een volmaakt mens heeft gemaakt.
 
Job en zijn vrienden gaan ervan uit dat wat hen overkomt gevolg is van hun gedrag. Zijn vrienden gaan ervan uit dat god het qualitate qua altijd bij het juiste eind heeft en dat het krijgen van straf dus betekent dat je dan gezondigd moet hebben. Job stelt vast dat hij in zijn geval onrechtvaardig gestraft is en wil god op zijn onrechtvaardig handelen aanspreken.

Wij als beterweters, ingewijd in het geheim, weten dat Job gelijk heeft. Wij hebben het god zelf horen zeggen, hij heeft er zelfs om gewed:
“Als er iemand op de aarde is die volmaakt is en oprecht, godvrezend en wars van kwaad, dan is het Job.”

Maar in hun onwetendheid, ervan uitgaande dat het vergeldingsprincipe geldt, zijn de reacties van Job en zijn vrienden zo ontzettend menselijk, dat wij als mensen van vlees en bloed die in de spiegel kijken, ons zowel in de karikatuur Job als in zijn karikaturale vrienden kunnen verplaatsen. We horen het onszelf zeggen als ons rampspoed is overkomen: Waarom ik? In godsnaam, waarom ik? Wat wij onverteerbaar vinden is een god die spelletjes met ons speelt.

Maar ‘t sprookje is nog niet uit. Het boek Job kent 42 hoofdstukken, dus nog 5 te gaan.

In hoofdstuk 38 komt god zelf aan het woord, vanuit het onweer. Geen troostgesprek, geen aai over Jobs bol, geen liefde. God dondert en bliksemt, is een bullebak. Maar het levert de moraal op!

“Wie ben jij, Job, dat je mij, god, met een betoog bestookt zonder iets te weten? Ga staan, kerel, doe je schootvsel om [< omgord je] ! Ik stel de vragen en jij mag antwoorden … als je het weet.   
Waar was jij toen ik de aarde schiep? – Nou, waar was je? 
Wie heeft haar afmetingen bepaald, 
wie een meetsnoer over haar uitgespannen? Jij? 
Wie zette haar op haar zuilen? 
Wie was de steller van haar hoeksteen? 
Wie sloot de zee op tussen deuren toen hij losbrak uit de aarde? 
Ik maakte het wolkendek tot zijn kleed. 
Ik hulde hem in ochtendmist.   
Ik stelde hem mijn wet. 
Ik zei: tot hier en niet verder, hier wordt paal en perk gesteld aan de hoogmoed van je golven! Ik, niet jij! 
Ben jij ooit doorgedrongen tot zijn diepste diepten? 
Zijn jou de poorten van de dood onthuld? Zeg het dan, als je het allemaal weet! Ik hoor een doodse stilte! 
Weet jij waar het licht vandaan komt of waar de duisternis verblijft? Dan kun je ze de weg wijzen als ze die kwijt zijn! 
Heb jij de voorraadkamers gezien waar ik sneeuw bewaar of hagel voor het juiste moment! Ken jij dat moment? 
Wie vertelt het onweer dat het ook moet gieten waar geen mensen wonen, om de dorst van de woestijn te lessen en gras te laten groeien. Doe jij dat? 
Heb jij de dieren verteld hoe hun jongen te verwekken, hoelang hen te dragen, hoe hen te baren?  
Wie bepaalt dat de een het voedsel is van de ander? 
Ga jij voor de leeuwenmoeder op pad om de honger van haar jongen te stillen? Wie geeft de raaf zijn jachtbuit als zijn jongen om gods hulp piepen? 
Wie bepaalt hoe groot het getal van kinderen moet zijn om én voer te zijn voor anderen én toch zelf als soort te overleven? 
De struisvogel laat haar eieren achter op de aarde in het stof om ze warm te laten worden, maar ze vergeet dat al wat in het wild leeft die eieren kan vertrappen. 
Is dat fout? Nee, dat is des struisvogels. Ik heb haar gemaakt, zoals ik haar gemaakt heb, naar haar aard. Weet jij het beter?"

Op zichzelf is het interessant aandacht te besteden aan het beeld dat de mens heeft van de wereld in de tijd waarin dit sprookje werd geschreven, maar dat ga ik hier niet doen. In plaats daarvan wil ik je uitleggen dat het antwoord van de sprookjesgod op de aanklacht van Job, niet ingaat op de aanklacht zelf, maar op het misverstand dat tot de aanklacht leidt: Job zoekt naar de reden waarom de wereld is zoals die is; en gods antwoord is: de wereld is zoals die is. Er is geen reden, het dient geen doel. Ik ben de oorzaak, wat jou gebeurt is het gevolg. Meer niet.

En Job antwoordt met excuses en legt zich bij de uitkomst neer.

De sprookjesgod noemt dan Job zijn dienaar en geeft de drie zogenaamde vrienden er stevig van langs. In plaats van met god het gesprek aan te gaan, hebben zij namens god de antwoorden gegeven. Zij hebben een beeld van god gemaakt.

Eigenlijk neemt de sprookjesgod de ‘vrienden’ kwalijk dat ze mensen zijn, volmaakte mensen in hun onvolmaaktheid, die niet anders kunnen dan een onvolmaakt godsbeeld maken.
Maar dat hebben alle mensen gedaan die zich hebben uitgesproken over God. Als God liefde is, dan helpt dat ook niet om te begrijpen dat ons overkomt wat ons overkomt. In godsnaam, waarom ik?

Waarde verwarde kandidaat,

Het sprookje is uit. Het is geen volmaakt sprookje, maar een menselijk sprookje. Sommige draden die in de verhaallijn gesponnen zijn worden niet afgehecht. Satan komt na hoofdstuk 3 niet terug, de vrouw van Job ook niet. Had best gekund, maar ach, het raakt de kern niet. Wie uit de traditionele sprookjesafloop “En Job leefde nog lang en gelukkig” de conclusie trekt dat god toch het goede beloont en het kwade straft, heeft er niets van begrepen. 
En helaas … het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet gevat”, Johannes 1, vers 5.

Waarom zou jij volgende week met een gerust hart je handen op dat boek kunnen leggen? Omdat jouw beeld van een niet bestaande god net zo onbeholpen is als het beeld dat anderen hebben van de god waarin zij geloven.
De mens kan niet anders dan ordenen in de chaos, zich een beeld verschaffen van de werkelijkheid. Maar wat de mens ook ordent, aan de chaos, aan de werkelijkheid verandert het niets. Dat is de moraal van het boek Job.

Wie niet gelooft in god ordent misschien de wereld anders dan wie wel gelooft in god, maar de werkelijkheid is even onuitsprekelijk, blijft zichzelf, is wat die is. De sprookjesgod in het Boek Job vraagt ons die werkelijkheid te accepteren. En hoe moeilijk dat is, bewijzen al die andere boeken in de bijbel, en daarbuiten.

De vrijmetselaar doet zijn best de nadruk niet te leggen op wat mensen scheidt, maar op wat mensen verbindt. De Bijbel is voor de vrijmetselaar een symbool, dat elke vrijmetselaar vanuit zijn wil tot verbinden zelf kan invullen zonder zijn invulling op te leggen aan anderen. 
Dit is mijn invulling:   
de Bijbel / het Woord staat symbool voor alle pogingen de chaos te ordenen.
de Passer / het Licht staat symbool voor alle pogingen ons inzicht te verschaffen in onszelf en het geheel waarin wij bestaan,
de Winkelhaak / de Rechte Verhouding staat symbool voor alle pogingen om in ons gedrag recht en rechtvaardigheid te doen gelden.

Dit samengestelde symbool is slechts een conventie – een afspraak, meer niet. Het zijn symbolen die geen betekenis hebben van zichzelf, maar betekenis krijgen door wat jij ervan maakt. Het is in zekere zin jammer dat ik de inhoud van het boek Job nodig had om het sprookje van zelfbegoocheling duidelijk te maken. Je mag daaruit niet de conclusie trekken dat de bijbel meer is dan een symbool.

Er zijn vrijmetselaren die net als jij het moeilijk hebben met de Bijbel, omdat zij de Bijbel zien als een Christelijk symbool. Voor de vrijmetselarij ligt de Bijbel daar als symbool, niet als christelijk symbool. Elke vrijmetselaar mag dat symbool als Gods woord interpreteren of als een menselijke poging het onuitsprekelijke uit te spreken of alles wat daartussen zit. Wat hij niet mag is het symbool eerst als christelijk bestempelen om het daarna als af te wijzen omdat het christelijk is. Dat is niet in de rechte verhouding! Dat is “Barbertje moet hangen”.

Dit is mijn antwoord, hier moet je het mee doen.

Is getekend,

Cees van Dam

Wat het antwoord van de verwarde kandidaat is, kan ik u niet zeggen. Hij heeft die brief nooit geschreven. Hij is een sprookjeskandidaat. Ik heb hem slechts gecreëerd om een antwoord te kunnen geven op een door mijzelf gestelde vraag. Maar misschien hebt u zich in hem herkend!
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint