-
Bouwstuk opgeleverd
2001 11 21 Le Profond Silence: Het Meesterrituaal deel 1
2002 09 25 Le Profond Silence: Het Meesterrituaal deel 2
2008 03 21 De Friesche Trouw: deel 1 en 2 samengevoegd
2010 10 28 Concordia Res Parvae Crescunt: vergelijking 1928 en 2056 
2011 01 24 Industria [idem]
2011 03 17 Het Azuren Gewelf [idem]
2012 09 18 Deugd en IJver [idem]
2014 04 16 Het Roosvenster [idem]
2019 05 07 Frédéric Royal: uitgebreidere versie [hier gepubliceerd]
2019 95 28 Thorhem [idem]

Het meesterrituaal

Broeder Leerling/Gezel die nog geen meester is,
lees deze tekst pas als je Meester bent

Toen ik voor de eerste keer redenaar werd in mijn moederloge Le Profond Silence heb ik naast het leerling- en gezellenbouwstuk ook het meesterbouwstuk als gewoonte ingevoerd, zo ongeveer een jaar na de meesterverheffing. De belangrijkste reden is dat over dit lastige rituaal in verhouding tot het leerling- en gezellenrituaal  weinig het uitgangspunt voor een bouwstuk is en dat terwijl het zo veel mooie aanknopingspunten biedt.     
Ik ben, net als u waarschijnlijk, verheven volgens het traditionele rituaal, waarin de mythe van Hiram Abiff onvolledig wordt verteld en de reis van de Meester nog als gezel wordt gemaakt. Ik noem dat in het vervolg van dit bouwstuk “het oude meesterrituaal”.    
In mijn Leeuwardense Loge De Friesche Trouw wordt een Meesterrituaal uitgevoerd dat gebaseerd is op het rituaal 2056, gepresenteerd toen de Nederlandse vrijmetselarij haar 250-jarig bestaan vierde. Daarin wordt de mythe niet alleen volledig verteld en beeldend uitgevoerd, maar zijn ook de accenten anders gelegd. In het vervolg van dit bouwstuk noem ik dat “het nieuwe meesterrituaal”. Het nieuwe meesterrituaal is - om het lekker ingewikkeld te maken - eigenlijk een herstel van, een terugkeer naar het meesterrituaal van de Rite Moderne.  
Ik ga proberen u in mijn beleving van mijn eigen verheffing mee te nemen. Telkens als daar aanleiding toe is zal ik ingaan op de verschillen tussen het oude en het nieuwe meesterrituaal, maar meer nog zal ik u een inkijk proberen te geven in hoe ik in het leven en in de vrijmetselarij sta. En vooraf zij gezegd: ik heb het soms behoorlijk moeilijk met de inhoud van onze ritualen.  
Ik heb mijn bouwstuk ingedeeld in 26 stukjes, steeds voorzien van een eigen titel, verwijzend naar het meesterrituaal. Ik werk in de volgorde van het oude meesterrituaal.

1      De gezel die het meesterloon verlangt  

Wat voert mij volgens het meesterrituaal naar de tempelpoort om daar aan te kloppen als Gezel vrijmetselaar: Ik ben een Gezel die het meesterloon verlangt  en ik verlang nader te komen tot de vervulling en volmaking van het leven.  
In het oude rituaal is de gezel die het meesterloon verlangt niet expliciet verdacht. In het nieuwe rituaal zou de gezel die het meesterwoord verlangt wel eens een van de boze gezellen kunnen zijn die, nu de tempel bijna afgebouwd is, op de valreep Hiram Abiff het meesterwoord desnoods fysiek willen afdwingen. Als hij geconfronteerd wordt met het lijk van de vermoorde meester, mag uit zijn ontsteltenis worden afgeleid dat hij niet een van hen is.     

2      De vervulling en volmaking van het leven

Het ritueel voltrekt zich zonder aanziens des persoons. Dat hoort nu eenmaal zo bij rituelen. In het rituaal liggen de teksten en handelingen vast en die tekst bepaalt dat ik verlang naar de vervulling en volmaking van het leven. Ik mag alleen nog zelf invullen wanneer voor mij het leven ‘vervuld’ en ‘volmaakt’ is.
Ik heb daar voor mezelf een eenvoudig, misschien wat bot antwoord op: als het af is, als ik dood ben. ‘Als het leven volbracht is’ klinkt Christelijker, maar het is hetzelfde. Ik interpreteer de drie ritualen in de Blauwe Graden als een vorm van stervensbegeleiding. De Koninklijke Kunst is levenskunst en dus de Kunst van het Leven in het perspectief van de Dood. De vervulling van het leven, de volmaking – dus niet vervolmaking, het volmaakter maken – de volmaking van het leven is in de mystieke betekenis van de Christelijke traditie de eenwording met God, de unificatio. Uit die Christelijke traditie is ook de vrijmetselarij ontstaan en uit die traditie kunnen de ritualen het best, dat wil zeggen in haar eigen logica, begrepen worden – ook al zijn andere interpretaties mogelijk en gelukkig toegestaan –.     
Die eenwording is door grote mystici nagestreefd tijdens het leven, door onthechting aan het leven. De mysticus, Meester Eckhard, formuleert dat zo:   
Er is geen vat dat tweeërlei drank kan bevatten. Als het wijn moet bevatten, dan is het noodzakelijk eerst het water eruit te gieten; het vat moet leeg en vrij worden.  
Weet daarom: wil je goddelijke vreugde en God opnemen, dan is het nodig dat je al het geschapene uit jezelf giet. Alles wat tot opnemen bereid en ontvankelijk moet zijn, moet leeg zijn. Giet daarom uit, opdat je vervuld wordt.  
Ik zie een overeenkomst tussen meester Eckhard en het meesterrituaal. Om de ambitie te kunnen verwezenlijken één te worden met De Meester, zullen eerst alle andere ambities in ons uit de weg geruimd moeten worden; wij moeten ons eerst leeg maken, om gevuld te kunnen worden. De ware meester in ons kan pas opstaan, als het heftige verlangen om meester te worden, waardoor wij onze gereedschappen, de 24-delige maatstok, de winkelhaak en de hamer gebruiken om het meesterwoord te verkrijgen, als wij ons van dat heftige verlangen hebben ontdaan.     
Nu ben ik geen meester Eckhart. Ik vrees dat er in mij eerder een cynicus, een scepticus, dan een mysticus schuilgaat. Voor mij is de vervulling van het leven slechts bereikbaar in de dood. De Vrijmetselarij helpt mij de angst voor de dood te overwinnen om juist daardoor het leven ten volle te kunnen leven. De dood maakt het leven vol, compleet. Ik hou van het leven, maar ik kan ook verlangen naar dat moment van rust, eeuwige rust. Zo lang ik leef zal ik het leven leven, het is immers de enige weg naar de dood. En wat dat leven voor mij mooi maakt, zinvol maakt, is het gesprek met mijn Broeders, met de medemens over de wijze waarop wij de tijd tussen nu en de dood  doden, vervullen, vol maken.      

3      Met de rug naar de deur  

Het eerste, verrassende element dat je in het meesterrituaal overkomt is dat je met je rug naar de deur wordt geplaatst waaraan je zo juist als gezel geklopt hebt om binnen te komen. Hoe vreemd! Hoe onbeleefd. Ik wil mijn broeders met open vizier en enige trots tegemoet treden om het meesterloon te ontvangen, maar nee: weg met dat zelfbewuste, ik heb hier niets te vertellen, het rituaal bepaalt wat hier gebeurt, ik onderga de ritus en dus laat ik me met mijn rug naar de tempelpoort plaatsen. Ik moet meewerken, ik kan me niet omdraaien en tegen de Achtbare roepen dat ik liever …  
Dat was in de eerste jaren van mijn vrijmetselaarschap ook mijn probleem met de ritus. Ik had het al als kind in de kerk. Zitten in de kerkbank was niets voor mij. Ik wilde een hoofdrol, op het altaar, op de preekstoel, het ritueel leiden en naar mijn hand zetten. Ik ben, zo beredeneer ik achteraf, onder andere Vrijmetselaar geworden om juist die houding af te leren en gewoon deel te zijn van de broederschap. Ik sta hier te leren gewoon deel te zijn van het geheel. En dat valt niet mee, kan ik u zeggen.    

4      Sjiboleth, de leeftijd vijf jaren  

De Achtbare vertelt in mijn rug dat mijn naam Sjiboleth is en mijn leeftijd vijf jaren. Mocht ik het vergeten zijn, dan weet ik het nu weer. In de open loges delen Vrijmetselaren dezelfde naam en leeftijd. Je hebt een gemeenschappelijke identiteit waarin de individuele opgaat of ondergaat. De boodschap is duidelijk. Nee, Cees, dit is niet jouw theater, hier wordt niet jouw toneelstuk opgevoerd. Jij moet hier deel van het geheel zijn, aar in de korenschoof, Broeder in de Broederschap.    

5      Is zijn meester over hem voldaan  

Een echo uit het gezellenrituaal klinkt op achter mijn rug: is zijn Meester over hem voldaan?  Ik ken het antwoord nog: Wij vertrouwen dat zijn Meester over hem voldaan is. Ik ben het er in al mijn onbescheidenheid mee eens en dus snap ik niet dat ik met mijn rug naar mijn broeders toe moet staan.  

6      Liefde tot de medemens  

Wat brengt hij met zich? Liefde tot de medemens. Het meesterrituaal gaat ervan uit dat de vrijmetselaar groeit. Als leerling die gezel wil worden, brengt hij broederliefde mee. In zijn leerlingtijd heeft hij van zijn broeders vrijmetselaar leren houden. In zijn gezellentijd heeft hij geleerd die broederliefde uit te bouwen tot liefde tot de medemens. Dit vraagt om gewetensonderzoek. Houd ik van mijn broeders? Ben ik in staat tot liefde voor de medemens? Ik houd van mijn broeders. Dat durf ik tegen mijn spiegelbeeld te zeggen, maar houd ik ook van mensen? Is de liefde tot de medemens de drijfveer in mijn leven?
Hier doet zich iets geks voor. Een kloof tussen theorie en praktijk. Eerst de theorie. Ik ben geneigd om te zeggen dat ik niet van de mensheid houd; niet van de abstracte mens, van de platonische idee mens. Ik houd niet van de mens, ik vertrouw de mens niet, ik weet dat de mens tot het vreselijkste in staat is. Ook ik. Dat onder het suikerlaagje van onze beschaving een beest zit. Om het in onze wonderlijke taal te zeggen: in de mens gaat de onmens schuil. Het bestaan van het woord bewijst het misschien al: alleen mensen kunnen onmenselijke dingen doen.    
Maar in de praktijk handel ik niet naar de theorie: ik houd van de mensen die ik in mijn leven ontmoet, van mijn kinderen, van mijn eerste ex, mijn tweede ex, en zoals de cynicus in mij dan roept van mijn aanstaande ex. Ik houd van mijn vrienden, collega’s, leerlingen, broeders. Mensen met een gezicht en een naam, met menselijke trekjes. Ik vertrouw ze, zelfs als ze mijn vertrouwen beschamen, want elke dag is een nieuwe dag en met hen ga ik door het leven. Ik ben niet echt teleurgesteld als ze me teleurstellen, want ik weet theoretisch dat ik niet op ze mag rekenen. Maar omdat ze in mijn leven zijn, wil ik met ze leven en dat leven wordt onleefbaar als het beheerst wordt door gevoelens van verbittering, wraak en spijt. Ik houd dus niet van de mens, maar wel van jullie.     
Ben ik daarmee voldoende in staat tot liefde voor de medemens? Ik denk het wel. Ik geloof dat weten dat de mens tot het gruwelijkste in staat is, niet in strijd is met het vermogen om van individuele mensen te houden: sterker nog: ik geloof dat die kennis die liefde juist mogelijk maakt, al was het maar doordat je beseft dat je broeder, net als jij, het beest dat in hem huist onder controle wil hebben en daarvoor zijn best doet.    

7      Naar binnen toe  

Desalniettemin sta ik nog altijd met mijn rug naar mijn broeders toe. Ik mag naar binnen, maar word rugwaarts de tempel binnengevoerd, alwaar de deur voor mijn neus wordt gesloten. En daar sta ik dan: in de duisternis. Ik kom voor het licht, broeders, beseffen jullie dat wel? Ik kom voor jullie, ik heb mijn best gedaan, ik kom mijn meesterloon halen en wat krijg ik: duisternis met ogen in mijn rug en een benauwende stilte, waarin het is of ik mijn eigen uitgeademde lucht weer inadem. Ik kom binnen en ben buitengesloten, aan mijn lot, aan mezelf overgelaten. En dat blijkt later de sleutel tot dit ritueel: ik kom in mezelf binnen.  

8      Broeder Voorbereider  

In het nieuwe meesterrituaal neemt hier de Broeder Voorbereider expliciet afscheid met de woorden: Gezel, ik heb u daarheen geleid, waar u verlangde te komen. Thans verlaat ik u. Als uw drijfveren zuiver zijn, vat dan moed en heb vertrouwen. Ik vind dat om meerdere redenen een mooi moment. Niet alleen maakt het de gezel nog eenzamer dan hij al was, maar ook: wie meester wordt moet voortaan zijn eigen weg gaan. En het is tenslotte ook mooi dat op deze wijze in het rituaal aandacht wordt gegeven aan het mooie en belangrijke werk van de Broeder Voorbereider.     

9        Het machtig Licht & De glorie van de O:.B:. vh:. Heel Al

Na een lange stilte is het de stem van de Achtbare die door de stilte achter mijn rug doorbreekt. Een verlossende stem. Hij heeft het over mij en mijn geschiedenis.  
Eenmaal heb ik als biddende en zoekende mens aan de poort van de loge geklopt. Ik ben binnengelaten en opgenomen in de Broederschap waar ik geleerd heb te bouwen aan de Tempel der Volmaking. Ik was leerling.    
Een tweede maal klopte ik aan en werd ik binnengelaten, nu in een ruimte die mij overstraalde door het machtige Licht dat zijn oorsprong vindt in de glorie van de Grote Bouwmeester van het Heel Al en eerst toen is mij duidelijk geworden dat ik een taak te vervullen heb als medebouwer in het grote bouwplan.    
Dat zijn grote woorden die de Achtbare in mijn rug prikt. Te groot voor mij. Ik huiver van die grote woorden, ze maken je zo klein en machteloos. Ik ben inderdaad een biddende = verzoekende mens: ik vraag mijn medemensen, mijn broeders mij in hun leven op te nemen, het leven met mij te delen, deel te nemen in mijn leven. En aan dat verzoek heeft de broederschap gehoor gegeven: ik voel me opgenomen. Ik ben een zoekende mens: ik zoek naar mogelijkheden om aan dat leven zin te geven. Sinds ik dat zoeken in uw midden doe, voel ik mij minder alleen in dat zoeken. Niet dat ik al wat gevonden heb, maar het gaat me ook niet om dat vinden. Wie wat vindt heeft slecht gezocht. Ik blijf liever zoeken, met jullie samen. Alleen nu even niet, met mijn rug naar jullie toe.    
De grote woorden zitten bij de antwoorden, bij wat blijkbaar gevonden is. De Tempel der Volmaking en de Grote Bouwmeester van het Heel Al maken deel uit van de wereld van de antwoorden. We streven naar de Tempel der Volmaking en ik kan me daar zo weinig bij voorstellen. Beter mens worden, dat kan ik begrijpen, maar volmaakt valt buiten mijn begrippenkader. De volmaakte mens is een contradictio in terminis. De volmaakte mens is een onmens, maar dan in een heel andere betekenis dan het beest dat in ons schuilgaat. Blijkbaar moet ik uitgaan van een volmaakte mens die in mij schuilgaat en die ik uit de ruwe steen die ik ben te voorschijn moet hakken. Met dat beeld ben ik nog altijd niet vertrouwd geraakt. Ik hou van de onvolmaakte mens, de ruwe steen. Van uw bultje dat in mijn kuiltje past.     
Dat het machtige licht zijn oorsprong vindt in de glorie van de Grote bouwmeester van het Heel Al zijn woorden die voor mij vooralsnog weinig betekenis hebben. Ik geloof wel dat er meer is dan ik kan bevatten – als deel van het geheel kan ik het geheel nooit overzien – maar dat meer zal ik nooit kunnen duiden. Ik weet ook niet of het goed of kwaad is, alleen dat het symbolisch geblokt is. Ik weet niet of het mij moet leiden of afschrikken. Wat ik ervaar is dat ik in uw midden mij goed voel met mijn twijfels en vragen, dat ik het zinvol vind uw medemens te zijn en dat dat los staat van welke goddelijke kracht of glorie dan ook. Ik ontken niet, maar ik ken ook niet en ik voel me beter zonder. Die Grote Bouwmeester is niet van deze wereld en ik wel.     
Machtig Licht? Welke macht heeft het Licht waarnaar wij streven? Het zijn woorden, symbolen, maar welke betekenis moet ik er aangeven? Voor mij is Licht gelijk aan inzicht. Dat is een Licht dat niet van buiten komt, maar van binnen. Dat is geen machtig Licht, maar een broos, kwetsbaar vlammetje dat zo maar weer gedoofd kan worden.    
Mag ik desalniettemin met jullie meebouwen aan het grote bouwplan? Voor mij is dat: de dunne schil van onze beschaving dikker en sterker maken, beter mens worden, opdat het beest in ons er niet meer uit kan breken. Beter mens en minder beest worden. Is dat volmaking?         

10    Tussen Passer en Winkelhaak, alwaar is heiligheid  

En zo ben ik, thans ten derde male, nog steeds als biddende en zoekende mens,naar de loge gekomen; ditmaal om het meesterloon te ontvangen. En ik hoor dat ik de belangrijkste stap zal moeten doen, een stap die mij zal brengen tussen Passer en Winkelhaak, alwaar is heiligheid.  
Ik begrijp nog niet wat die stap betekent, maar ik huiver weer bij het woord heiligheid. Tussen Passer en Winkelhaak, tussen die symbolen van de vrijmetselarij die op het Eerste licht liggen, tussen de instrumenten van de juiste maat en de juiste hoek, dat kan ik duiden, maar die heiligheid, wat moet ik daarmee? Heiligheid is heelheid, volmaaktheid. Klaar, af, er hoeft niets meer gedaan te worden. Ik kan niets met dat begrip, tenzij volmaaktheid synoniem is met het einde van het leven.     

11    Buigen voor de majesteit van het plan van de Meester  

De stem van de Achtbare heeft het achter mijn rug over het duister om mij heen. Hij weet dus dat ik volslagen eenzaam ben, zoals ik daar sta met mijn blik op de tempeldeur; dat ik mij onheus bejegend voel nu ik daar moet staan met mijn rug naar de broeders waar ik bij wil horen. En nu hoor ik dat ik daar sta voor straf: Zo vergaat het de gezel die, in de overmoed van wat hij meent reeds te hebben bereikt, verzuimt zich te buigen voor de majesteit van het plan van de Grote Bouwmeester en vergeet dat dienst in het plan van de Meester zijn opdracht is.  
Overmoed, omdat ik denk al iets te hebben bereikt? Denk ik al iets te hebben bereikt? O, ja zeker. Ik weet al dat ik in mijn eentje niets ben, dat ik anderen nodig heb om mezelf te kunnen zijn. Ik weet dat ik mijn broeders nodig heb, dat ik het nodig heb dat mijn broeders mij nodig hebben. Ik weet dat één bouwsteen geen tempel maakt en dat een bouwsteen zichzelf niet kan verplaatsen naar de juiste plek. Ik ben geen baron van Münchhausen. Maar is dat overmoed? Dat woord spreekt mij niet aan. Vooral niet omdat het tegenovergestelde van overmoed deemoed is: nederige onderworpenheid aan wat boven mij staat. Er staat niets boven mij, wat ik niet zelf boven mij stel.   Sommige woorden hebben persoonlijke, emotionele ladingen, positief of negatief. Voor mij zijn woorden als deemoed, buigen, ondergeschikt zijn negatief geladen. Ze horen voor mij bij dat deel van het jezuïtisch katholicisme dat ik vaarwel heb gezegd. Dat zal mijn reactie ook overdreven maken. Ik begrijp best dat de taal in het ritueel anders geduid kan en mag worden. Maar tegelijkertijd ben ik me er ook zeer van bewust dat onze maçonnieke teksten stammen uit een tijd en christelijke cultuur, waarin de kleinheid van de mens tegenover de grootheid van God automatisch vertaald werd in deemoed en onderworpenheid. Ze stortten zich op de knieën om zich nog kleiner te maken. Ik wil best buigen in de betekenis van soepel zijn, me aanpassen. Ik ben niet onbuigzaam. En: ik ben laf genoeg om te buigen als ik tot buigen word gedwongen. Maar ik kleineer me niet, zeker en zelfs niet voor de majesteit van het plan van de Grote Bouwmeester. Ik vind dit werkelijk een vreselijk taalgewrocht. Natuurlijk wil ik met jullie samen bouwen aan een betere wereld, maar de wereld wordt niet beter als ik buig voor de majesteit van wat dan ook. Recht de rug en samen de schouders eronder. Ik buig niet en wil ook niet dat er voor mij gebogen wordt.     

Wat denk ik dat er nu eigenlijk wordt bedoeld? Dat ik moet beseffen dat ik deel ben van het geheel en niet moet denken dat het geheel er is ter meerdere eer en glorie van mij. Dat ik moet leren dat het meervoud van ik gelijk is aan x, de naamloze, de anonieme, dat het niet gaat om mij, maar om ons. En om dat weer eens even goed in te peperen, staat dit zwarte schaap nu met zijn rug naar de rest van de kudde.         

12    De graankorrel  

En voor even ben ik de graankorrel in de aarde die nog moet ontkiemen, om uit te groeien en vrucht te dragen, zodat ik straks met andere graankorrels door de korenmolen kan en het meel worden waaruit het brood gebakken wordt. Accipite, et manducate ex hoc omnes. Hoc est enim corpus meum: Neemt en eet allen hiervan, want dit is mijn lichaam. Maar voor ik zo ver ben, moet ik vallen en sterven. En de kapelmeester onderstreept dat met treurmuziek.  

13    Omdat hij is de mens …  

Opnieuw wordt mij verteld, waarom de Broeder Gezel rugwaarts naar de Achtbare staat: Omdat hij is de mens, die wel het geestelijk ideaal, de Vlammende Ster, heeft gezien, maar nog niet in staat is zijn geestesoog constant op dat Ideaal te richten, die nog herhaaldelijk het geestelijke opoffert aan het stoffelijke, de stof laat zegevieren over de geest. Daarom is de blik naar het Westen gericht, de stoffelijke wereld van de mensen, en afgekeerd van het Oosten, de plaats vanwaar het Licht komt, de goddelijke wereld.  

Ik sta dus niet alleen voor straf daar met mijn rug naar mijn broeders, blijkt nu, maar ook als symbool voor mijn onvolkomenheid. Ik ben nog niet voldoende in staat om het materiële Westen de rug toe te keren en mij te richten op het geestelijke Oosten. Ja, Cees, denk daar maar eens over na. Wat heeft dat voor jou te betekenen?  
Ik vind ook dit moeilijk, Broeders. De terminologie van stof en geest, ziel en lichaam is me niet vreemd, ik ben ermee opgegroeid. Maar vanaf het moment dat ik zelf ging nadenken en zoeken, heb ik steeds geprobeerd aan dit denken in scheiding van lichaam en geest te ontsnappen. Ik ben Spinozist. Mijn god is de god van Spinoza: het Heel Al. Ik ga er vanuit dat er geen geest is zonder lichaam en geen lichaam zonder geest. De mens is deel van het geheel en buiten dat geheel is er dus ook niets. Het geestelijke, het goddelijke is evenzeer deel van dat geheel en dus niet groter dan het geheel of de maker of bestuurder van het geheel. Grof gesteld: de geest is uiteindelijk ook maar materie, of andersom. Maar wij zijn zo behept met de behoefte de zin van het geheel toe te kennen aan iets buiten dat geheel, dat we in onze formuleringen steeds in dualistische termen vervallen, zelfs als we dat niet bedoelen.     
Laat ik proberen het Westen en Oosten aan u uit te duiden binnen mijn ongescheiden visie. Als ik in mijn onvolkomenheid gericht ben op het Westen, breng ik nog te veel beest mee in de mens die ik ben, met al mijn egoïsme, mijn middelpunt van de eigen wereld zijn, mijn neiging anderen te gebruiken voor eigen doelen. Ik ben nog niet de kubieke steen die zich naadloos voegt in de tempelbouw van de samenleving. Ik ben er nog niet, ook al sta ik op het punt meester te worden. Ik ben mezelf nog niet meester. Ik ben nog te veel beest. Noem dat beest het stoffelijke in mij.      
Het Licht in het Oosten, waarop ik mij wil richten, is een abstractie: de ideale mens, de ideale wereld. Ik ken het plan van de Opperbouwmeester van het Heel Al niet, ik heb geen beeld van de ideale mens en wereld, maar ik kan proberen samen met anderen naar dat ideaal te zoeken en te streven door te werken aan de onvolmaakte mens die ik ben en aan de onvolmaakte wereld waarin wij leven. Maar die mens en die wereld zijn abstracties. Concreter is de klaargekomen mens en de klaargekomen wereld. Dat vind ik een helder en ook energiek beeld, omdat het het momentane karakter onderstreept. Klaarkomen is een gebeurtenis van voorbijgaande aard, geen eeuwigdurende situatie. Klaarkomen is tijdelijk sterven. Het is een voldaan gevoel als je na intensieve arbeid, leegstroomt, Het is sterven na intensief leven. Dat mag u te weinig een geestelijk, te veel een lichamelijk symbool lijken, maar het drukt voor mij precies uit wat ik bedoel: werken aan een betere wereld die nooit echt af is, maar voor een bepaald moment wel even bevredigt. In die zin is de Vrijmetselarij voor mij bevredigend.     
Er is hier een groot verschil tussen het oude en het nieuwe meesterrituaal. In het nieuwe staat de gezel ook met de rug naar het Oosten, maar dat is omdat hij als gezel een loge binnenkomt die in rouw is vanwege de dood van Hiram Abiff.  Is hij, die hier nu binnenkomt, een van de ongeduldige gezellen is die het meesterwoord wil bemachtigen, bang dat de tempel afgebouwd zal zijn voor hij meester is geworden? Als gezel die het meesterwoord verlangt, wordt hij verdacht van de moord op Hiram Abiff, wiens lijk onder een zwart kleed op het tableau tussen passer en winkelhaak ligt. En dat is wat hij nog niet mag zien en waarom hij met zijn rug naar het Oosten staat. Eerst moet uitgezocht worden of hij een van de moordenaars is.
En omdat Hiram Abiff, die in de 1e en 2e graad als architect de Meester van de Loge is die de arbeid leidt, onder het zwarte kleed ligt, is het in de 3e graad Salomo die als vervangend Meester op de troon zit. Daarom ook is straks het Oosten ledig. 

14    De reis van de Meester 

Terug naar het oude Meesterrituaal. Natuurlijk ben ik er nog niet. De Achtbare zegt het mij: ik heb nog een reis te gaan. Pas na die laatste reis zal de geest over de materie kunnen zegevieren. Pas na die laatste reis zal het beest in me ophouden over me te zegevieren, omdat ik volmaakt, voleindigd, definitief leeg ben. Klaar is Cees.  
De Achtbare vraagt de 1 Opziener of de Broeder Gezel waardig is overeenkomstig zijn verlangen Meester Vrijmetselaar te worden. En de 1 Opziener antwoordt: Eerwaarde Meester, de verheffing tot Meester is te groot dan dat ik u zou mogen aanraden hem zonder beproevingen daartoe aan te nemen. 
Voor het eerst dringt nu tot mij door dat de Achtbare Eerwaarde is geworden. Ik ga daar nu niets over zeggen. Ik constateer slechts dat de nieuwe term ‘Eerwaarde’ mij op dat moment afleidde van wat daarna kwam. Het dringt niet tot mij door dat wat mij te wachten staat beproevingen zullen zijn.     
In het nieuwe rituaal is de beproeving duidelijk. De [boze] Gezel maakt zijn reis langs de diepste, buitenste Duisternis, steeds met de rug naar het tableau, en  passeert het ledig Oosten. Terug in het Westen staat hij tussen de Opzieners nog altijd met zijn rug naar het tableau. Daar wordt hij beschuldigd van een zwaar misdrijf: de moord op de meester. Hem wordt gevraagd of hij schuldig is. Hij ontkent. Dan wordt hij plotseling door de Opzieners omgedraaid en ziet hij zijn Broeders, die hij nog niet gezien heeft, wijzen naar het tableau met daarop onder het zwarte kleed het lijk van Hiram Abiff: het bewijs van de misdaad. Uit zijn reactie wordt geconcludeerd dat niets erop wijst dat hij schuldig is. De Meester vraagt de opzieners hem de gezel aan te bieden. De gezel gaat dan met de meesterpassen, hem voorgedaan door de eerste opziener, over het tableau naar het Oosten, naar de Meester. Nogmaals wordt hem gevraagd of hij betrokken is bij deze afschuwelijke samenzwering. Weer ontkent hij. De eerwaarde Meester zegt: "Mijn Broeder, het woord van een vrijmetselaar is ons heilig. Het is mij nu duidelijk dat u niet een van de moordenaars van onze Meester bent. Niettemin is het een droevig ogenblik dat ik u weerzie. Onze Meester is neergeslagen. Weet dan, zijn woord was heilig en dat woord is verloren. Zijt gij bereid alles te beproeven om het woord weder te vinden. Wat is hierop uw antwoord?"
"Ja"! "Het is wel. U heeft u waardig getoond de plaats van de Meester in te nemen." Ten bewijze hiervan slaat hij de driehoek in de vierhoek van het schootsvel en vraagt hem zijn witte handschoenen aan te doen. Nu is de gezel meester geworden en dus zegt de eerwaarde Meester: Dat dan onze meester zijn laatste reis onderneme! Vergeet niet dat het de reis van de Meester is. Behandel hem dus met eerbied! Broeder Redenaar, geef uw getuigenis." 
Dan begint de Hirammythe. Tijdens de vertelling in de tegenwoordige tijd wordt de moord op de meester nagespeeld. Belangrijk is te beseffen dat hier een toneelstukje wordt opgevoerd, waarin de Meester en opzieners de rol spelen van de drie boze gezellen en de zojuist tot meester verheven gezel de rol van Hiram AbiffHij staat nog aan de Oostzijde van het tableau en begint nu zijn laaste reis, de reis van de Meester. Op het moment dat de Redenaar het gebeuren vertelt, voeren de spelers het uit. De 1e boze gezel geeft Hiram bij de zuiderpoort een slag met de maatlat op de keel; de 2e boze gezel geeft hem bij de westerpoort met de winkelhaak een slag op het hart; de 3e boze gezel slaat bij de oosterpoort met de hamer - niet met de moker des gezags dus, maar met de hamer van de leerlingarbeid - de meester neer door hem op het middenrif op het tableau te drukken. 
Ongeduldige gezellen - en hoe vaak betrap ik mij er niet op een ongeduldige gezel te zijn - misbruiken maçonniek bekende gereedschappen als woedend, chanterend wapen op maçonniek bekende plekken van het lichaam om het meesterwoord af te dwingen en dat bekoopt de onomkoopbare Hiram met de dood.
De Redenaar vertelt verder. De drie gezellen komen terstond bijeen en vragen elkaar het meesterwoord. Maar als blijkt dat zijn geen van drieën het meesterwoord hebben bemachtigd en dat zij een zinloze misdaad hebben begaan, gaat alleen nog door hen heen hoe het misdrijf te verbergen. Zij brangen het lichaam buiten de tempel door de westerpoort en verbergen het onder puin. Want zo lang het dag is, durven zij het niet te begraven. Maar bij volle middernacht, als iedereen slaapt, verplaatsen zij het lijk in een overhaast gedolven, maar oredentelijk graf, met het plan het later beter te begraven. Om de plek gemakkelijk tergu te kunnen vinden, plaatasen zij een acaciatak op de grafheuvel. Dan nemen zij ijlings de vlucht, gefolterd door de wroegingen van hun geweten.
Welke beproeving wacht mi in het oude meesterrituaal? Wat moet ik daar doen om meester te worden? Hoe gaan ze het beest in mij wakker roepen? Het is doodstil achter mij, totdat de Meester zegt: "Dat dan de Gezel zijn laatste reis onderneme, de reis tot het meesterschap." Het heette voor 1929 altijd de Reis van de Meester, logisch, want straks word ik neergeslagen als Hiram Abiff en dat is voorwaar de Meester. Blijkbaar had men wel door dat de Reis van de Meester niet kon als je nog gezel bent, dus de tekst is daarop aangepast. In de catechismus overigens weer niet; daar staat: "Ik deed de reis des Meesters."
Ik voel een hand die mijn hand pakt. Ik word begeleid als bij mijn eerste stappen op weg naar de Vrijmetselarij, de weg van de struikelblokken, de druk op het hart, de bittere beker en het schijnsel van licht. Ik schuifel zijwaarts langs de zwarte rand van de loge, de diepste buitenste duisternis. U weet wat mij overkomt: terwijl zelfs het Oosten ledig is, word ik aangezet tot ernstige vormen van zelfverminking tenzij ik afzie van snode plannen om Hiram Abiff te vermoorden.  
Ik had geen plannen in die richting, broeders,  maar ik begrijp dat ik word uitgedaagd mezelf deze allegorie uit te leggen. Ik doe een poging: ik pleeg liever zelfmoord, dan dat ik het beest in mij toesta een ander te doden. Ik zou voor zelfmoord graag andere methoden kiezen dan die mij hier worden voorgehouden, maar in theorie ben ik het ermee eens. Ik weet niet of ik in de praktijk in staat ben dat beest te allen tijde te beheersen. Het beest Mens is tot afschuwelijke dingen in staat en het ergste is dat de mens in het beest zo knap is in het hanteren van argumenten, in het benevelen van zijn geest, dat hij die afschuwelijke dingen weet te rechtvaardigen binnen gerespecteerde denkbeelden. Het beest breekt nog zo vaak uit de mens, dat de angst voor het beest in de ander de angst voor het beest in mezelf overschreeuwt. En wat doe ik, als me dat aan den lijve overkomt? Vluchten in de Tempel van Salomo? In het spel van de vrijmetselarij?
Tenslotte sta ik stil voor de zuivere kubiek. De Eerwaarde Meester zit weer op zijn troon, het Oosten is weer gevuld. Is de reis volbracht? De 2e opziener doet er het zwijgen toe, zo ook de 1e opziener. Ook de Eerwaarde zwijgt. Alle reizen in de 1e en 2e graad worden zo afgesloten. Nu blijkbaar niet.      

15    Alles beproeven om het woord weder te vinden  

De Redenaar vervolgt zijn mythe. Ik luister met oren die willen weten wat me nu gaat overkomen, want het vorige deel van de mythe was ook een voorbode van wat me overkomen zou. Ik ben alleen nog niet neergeslagen en begraven.   De Redenaar vertelt over drie, vijf en tenslotte negen Meesters die in opdracht van Salomo  zoeken naar de verwenen Hiram Abiff. Met hem is het Meesterwoord en Meesterteken verloren gegaan. Het eerste woord gesproken en teken gemaakt bij het vinden van de Meester zal gelden als nieuw meesterwoord en nieuw meesterteken.       
"Herneemt uw plaatsen, Broeders!" Ze zijn er dus, mijn broeders. Ik heb ze nog niet gezien. Ik heb slechts hier en daar een kuch gehoord en geschuifel van schoenen. Ik weet niet wie wel en niet gekomen is. Voor mij zit de Eerwaarde die zich in stilte hult en over zijn papieren zit gebogen. Ik voel de stilte in mijn rug.    
"Het is een droevig ogenblik waarin ik u weerzie," spreekt de Eerwaarde Meester. "Onze Meester is neergeslagen, zijn woord was ons heilig en dat woord is verloren. Zijt gij bereid alles te beproeven om het woord weder te vinden? Wat is hierop uw antwoord?" 
Dit moment in het rituaal is niet geschikt om diepzinnig na te denken over alle consequenties van het jawoord. Nee zeggen, op dit moment, hoe zou dat kunnen? Hoe zou dat uitwerken? Ik heb ja gezegd, maar weet niet waartegen ik ja zei. Ik moet de betekenis, de consequenties van mijn ja nog bedenken.     
Hoe kan een woord heilig zijn? Ik ken de macht die aan het woord wordt toegekend. In den beginne was het Woord en het Woord is vlees geworden. Het woord heeft hier scheppingskracht. Maar ik ben ook taalkundig filosoof en ken ook de onmacht van het woord. Het woord staat voor de werkelijkheid, maar is niet de werkelijkheid zelf. Alleen in woord wordt het woord vlees. En als een woord verloren gaat, gaat de werkelijkheid ook zonder woord verder.    
Schiet ik hier te kort? Staat mijn visie op de ondeelbaarheid van geest en stof begrip in de weg? Voor mij niet. Ik leg het mezelf zo uit: het Woord dat verloren is gegaan, is de logos, de beschaving waarmee ik het beest in me kon bezweren. Het beest in mij heeft de meester in mij gedood en nu kan ik mezelf niet meer meester zijn. Ik moet een nieuwe taal, een nieuwe logos, beschaving in me oproepen om het beest weer te kunnen controleren. Voor het vinden van die nieuwe logos heb ik alles over, want ik wil echt beter mens worden. Daar zeg ik ja tegen. Achteraf!                   

16    Onder het zwarte kleed 

De Eerwaarde is tevreden met mijn intuïtieve ja en roept de opzieners op de Gezel rugwaarts naar het tableau te voeren en hem te plaatsen zoals hen bekend is. Ik weet van niets, mij overkomt het. Ze wrikken aan mijn rechterbeen. Wat willen ze nou eigenlijk? Ze zetten me de voet dwars. Achter mijn linkerbeen. De Achtbare Eerwaarde heeft de moker in de hand – het laatste wapen waarmee Hiram Abiff werd neergeslagen, herinner ik me, als ik voel hoe hij met Wijsheid mijn linker- en met Kracht mijn rechterschouder aantikt. En dan duwt hij met Schoonheid mij over mijn eigen voet neer op het tableau. Er wordt wat aan me gewriemeld, er gaat een zwarte doek over me heen en over mij heen daalt een gevoel van gelukzaligheid: ik ben dood. Eindelijk. Ik ontspan mijn lijf. Dit kan me niet lang genoeg duren. Ik zou mijn handen willen vouwen over mijn borst, zoals katholieken dat bij doden doen en ik probeer zo dood mogelijk te zijn. Eén gedachte schiet door mijn hoofd: ik kan toch mijn eigen begrafenis bijwonen. Nu zou ik muziek willen horen: een dies irae, een marche funèbre.  

17    De verheffing  

Helaas. Het leven gaat door. Ik word gezocht. Ik word gevonden. Ze kloppen drie maal op mijn opgeheven knie. Ze kloppen vijf maal op mijn opgeheven knie. Dan wordt mij het doodskleed afgerukt en ik zie de broeders om mij heen, het meest dichtbij de Eerwaarde. Hun lichamen naar achteren, een open hand op het voorhoofd. En de meester roept een woord. Ik zie het nieuwe meesterteken en hoor het nieuwe meesterwoord.  
Waarom moest ik dood om Meester te kunnen worden? Omdat de ware Meester zichzelf meester is. Zijn geest in hem, mens, hoeft geen strijd meer te voeren met het beest in hem, stof. Zolang ik leef, zal die strijd er zijn. Dood zijn is niet erg. Dan is het leven volbracht, volmaakt. Na de dood weer tot leven worden gewekt, dat vind ik minder prettig. Dan moet het zware karwei van het leven weer worden opgepakt. Het is niet volmaakt, niet af. Ik moet voort met de strijd van het Meester worden, zijn en blijven. Ik zou het liefst zijn blijven liggen, maar de Meester, die weet dat ik voort moet, pakt mijn hand in zijn handgreep, zet zijn voet aan mijn voet, zijn knie aan mijn knie. Hij trekt mij naar zich toe. Samen met mijn Meester vorm ik één macht. Wij staan schouder aan schouder, en de Meester omarmt mij en niets kan ons scheiden. Ik ben uit de dood opgestaan, ik heb de dood overwonnen om het leven aan te kunnen. Ik besef dat het de ambitieuze Gezel in mij is, die meer wil van het leven dan het leven zelf, die de Meester in mij neersloeg en dat het de Meester in mij is die mij terugroept in het ware leven. Met een nieuw meesterteken en een nieuw meesterwoord, mij door de achtbare in het oor gefluisterd. De Driehoek is in het Vierkant neergedaald: de eenheid is hersteld: ik ben mezelf Meester. Heel even.    
En ik geloof dat er nog iets van waar is ook, dat het werkt. Niet zozeer vanaf dat ene moment waarop ik één geworden ben met de meester in mij. Al enige tijd eerder. Maar toch: ik sta nu sterker in het leven. Een groot deel van mijn leven neigde ik tot somberheid. Vaak heb ik werkelijk verlangd naar de dood. IJdelheid heeft me in leven gehouden: het besef dat ik mijn eigen begrafenis niet zou kunnen bijwonen. Maar ik verlang minder naar de dood dan ooit. Het licht keert weer in de loge, de duisternis wordt aan de kant geschoven en geknield op beide knieën voor de zuivere kubiek, met beide handen op de drie Grote Lichten, luister ik naar de Eerwaarde, die mij verklaart te zijn: Meester Vrijmetselaar.    

18    De Vlammende Ster  

Ik mag plaatsnemen tussen de Broeders om te luisteren naar het vervolg van de Hiram-Abiffmythe.  
In het nieuwe meesterrituaal is dat vervolg uitgebreider en beter te begrijpen dan in het oude. Wat ik in het oude te horen krijg is in woorden wat mij net overkomen is. Maar er is iets nieuws bij. Zoals een Vlammende Ster de drie Koningen naar de stal in Bethlehem geleidde, zo geleidt het lichtschijnsel van de Vlammende Ster de negen door Salomo uitgezonden Meesters naar de plek waar de acaciatak de verse grafheuvel markeert, waarin zij de verloren Meester zullen aantreffen. De Vlammende Ster, waarin ik de letter G weet, kan in deze parallellie alleen gestuurd zijn door de Grote Generator, de Grote Veroorzaker van wie elke beweging uitgaat, zoals oude scholastieke theologieboeken van voor Galileo Galileï stipuleren. De rituele teksten wortelen soms in oude verbeeldingen van voor de Renaissance en Verlichting. Misschien kan ik daarom niet zo veel met de aanwezigheid hier van die Vlammende Ster, maar hij hoort nu eenmaal bij de mythe en die mythe is waarschijnlijk al erg oud. Dat dacht ik aanvankelijk. Maar de toevoeging van de Vlammende Ster is een relatief jong product. Hij komt pas voor het eerst voor in het rituaal van 1920, toen, onder invloed van de theosofie, de aanpassingen zijn gemaakt van wat wij nu het oude rituaal noemen. Het nieuwe rituaal grijpt terug op oudere versies waarin nog de hele mythe werd verteld zonder Vlammende Ster.  
Natuurlijk mag ik die Vlammende Ster symbolisch opvatten en legt hij een relatie met het Gezellenrituaal, maar ik zie zo gauw voor mij geen zinvolle symbolische invulling als die ster niet in mij zelf zit. En daar zit hij natuurlijk. In mij schuilt het vermogen mij te brengen naar de plek waar mijn dode ik ligt, die de meester in mij weer tot leven moet wekken. Dat de Mens in mij sterker kan zijn dan het Beest in mij.

19    Het groot-meesterteken  

Ik zie de Redenaar tijdens het verhalen van de mythe opnieuw het Grootmeesterteken maken. Hij benoemt het als het teken van ontroering. Ik ben weer onder de indruk van dat teken. Maar niet van ontroering. Meer zoals het nieuwe rituaal aangeeft: een teken van afgrijzen. Ik zie in het nieuwe teken van de meester vooral de verbijstering. Ik ben ook die verbijsterde meester. Ik sta daar aan dat geopende graf waarin ik lig en ik word geconfronteerd met het gruwelijke in mij en het verbijstert me.  

20    De unificatio  

Maar ik blijf niet in die verbijsterde houding staan. Nee, ik poog de situatie ongedaan te maken. Ik loop niet weg, ik keer het gezicht niet af, nee: mijn eerste poging faalt; mijn tweede poging faalt; maar, zoals in een waarlijk sprookje is het de derde poging die slaagt; de Eerwaarde Meester in mij slaagt door zich geheel, met hand, voet, knie en schouder in te zetten en de verbijsterende dood te omarmen. De Opperste Meester in mij lukt het de dood in de Meestergreep te nemen en zichzelf uit de dood op te richten. De Meester als moeizame verlosser uit de dood. De Meester als de aanstaande moeder, als de barensweeën en als de vroedvrouw, samen goed voor de Meester als het herboren kind. Verbijsterend mooi.  

21    Het nieuwe meesterwoord  

En de omstanders roepen de herborene toe: Mak Benak! Het tweegesprek zal dat verklaren als Hij leeft in de zoon! Want de meester is, naast moeder, barensweeën en vroedvrouw, ook de vader en de zoon. Hier ligt het sublieme symbool van de éénwording: de schepper en zijn schepping zijn één. Wederom verbijsterend mooi.  
Hij leeft in de Zoon. Het is een verwijzing naar de Zoon Gods, Jezus Christus, want wie is Hiram Abiff anders binnen de Christelijke traditie waarin de Vrijmetselarij wortelt. Het menselijke in ons is gestorven, het goddelijke is opgestaan. Prachtig misschien voor sommigen, maar het bevalt mij niet. Het past niet bij mij. Ik houd het bij die andere vertaling: Het vlees verlaat de beenderen. Ik ben blij met het nieuwe rituaal, dat duidelijk uitgaat van deze tweede, oudere vertaling. Hij leeft in de Zoon mag er van mij weer uit. Ik geef de voorkeur aan de sterfelijkheid boven de goddelijkheid, de tijdelijkheid van het Deel mens boven de eeuwigheid van het Geheel Al.    

22    Het oude meesterwoord  

Het oude meesterwoord is gegrift in een driehoek van zuiver goud en geplaatst in het Heilige der Heiligen. Kennen wij het oude meesterwoord? Is het niet verloren gegaan met Hiram Abiff? Nee dus. We kennen het Oude Meesterwoord maar het is geen woord: het is onuitsprekelijk, onkenbaar, het mag geen Naam hebben.  
Ik ervaar dit als een verwarrend moment. Ik moest voor het vinden van het meesterwoord alles over hebben, maar heb ik het dan ook gevonden? De Meester van het oude woord, Hiram Abiff, heeft het meegenomen in zijn graf. Hij is opgericht, ik ben opgericht. In mij is zowel de oude als de nieuwe meester aanwezig. Toch is met mijn herleven het nieuwe meesterwoord geboren. En het oude zit ook in mij. Wat is de zin van dit alles?     
Is hier sprake van bewuste mystificatie om ons naar vervolgpaden te leiden die dan helderheid zouden moeten verschaffen? In mijn moederloge Le Profond Silence sprak een inmiddels overleden Broeder de onthullende woorden: de vervolggraden zijn er alleen voor Broeders die de Blauwe Graden niet begrijpen. Maar alleen als je zelf de vervolgpaden bent ingeslagen, kun je die uitspraak op zijn waarde toetsen.    

23    Het hoogste offer  

De mythe is verteld en de eerwaarde zegt mij dat ik ingevolge de voorschriften der Orde naar deze mythe tot Meester Vrijmetselaar ben verheven. En hij benadrukt zijn rol daarin: hij heeft om mijnentwil zijn troon verlaten op het ogenblik dat ik in volkomen overgave bereid was het hoogste offer te brengen dat wij, mensen, brengen kunnen. Wat is dat hoogste offer dan? Mijn leven geven? Ooit voerde ik een gesprek met een missiepriester die al vijfendertig jaar werkte tussen de armsten op de Filippijnen. De man had kanker en was, tegen zijn zin, teruggestuurd naar Nederland om daar te genezen of te sterven. Hij was niet bang om dood te gaan, sterker nog: hij kon ernaar verlangen. Deze man had het leven vijfendertig jaar lang gegeven en zou het nog wel eens zolang willen geven aan mensen die niets hebben dan het leven dat geleefd moet worden. Je leven geven door te sterven, dat betekende voor hem niet zo veel, hij wilde het leven leven voor anderen. Zo gaf hij zijn leven. Wat is dan het hoogste offer?  
De kern zit in het doel waarvoor ik mijn leven geven zou, en zoals ik eerder heb gesteld, is het hervinden van het meesterwoord voor mij het symbool voor het hervinden van de logos, onze beschaving. En ik beteken meer voor onze beschaving als ik er voor vecht, dan als ik er voor sterf. Mijn dood is geen verlossing van de mensheid, zoals in het christendom de dood van Christus ons wordt voorgehouden. Ik zoek de waarde in het leven en niet in de dood.
En dan nog is dit alles theorie. Mij wordt niet letterlijk gevraagd het hoogste offer, het leven te geven. Het is een intentieverklaring. Het gaat om de volkomen overgave. En dat, broeders, is toch ook een heel groot woord. Het staat in het rituaal, en een ieder die hier zit, heeft tegen die volledige zelfovergave ja gezegd. Anders zat u hier niet. Wat betekent dat begrip volledige zelfovergave? Is het symbolisch?    
Toen ik voor de vraag stond of ik mij wel of niet tot priester zou laten wijden, stond ik ook voor die vraag. Was ik bereid mij geheel en al ondergeschikt te maken aan de orde, mijn leven in dienst te stellen van wat wij vrijmetselaars aanduiden als de Opperbouwmeester van het Heel Al? Niks symbolisch; je levert je individu uit aan de meerwaarde van het geheel. Toen heb ik daar lang over getwijfeld. Ik hoopte dat ik maar wat graag ja wou zeggen; maar eigenlijk durfde ik nauwelijks nee te zeggen, want wat moest ik dan? Ik had nooit over iets anders nagedacht dan priester worden.     
Uiteindelijk hakte mijn toenmalige mentor de knoop voor mij door. De poort ging open, ik verliet het klooster en de zware deur viel achter mij dicht, met een klap. Ik was plotseling onvrijwillig vrij, als een kanarie die voor het eerst door het openstaande deurtje van zijn kooi de wereld in vliegt. En het duurde maanden voor ik mij thuis voelde buiten die veilige kooi. En nog veel langer voor ik mij echt bevrijd voelde. Ik kan nog naar die kooi terugverlangen. Maar mijn mentor had wel gelijk, ik was geen man voor volledige zelfovergave. Ik bezat en bezit te veel ego, ben te veel op mezelf gericht om me weg te cijferen voor het geheel. 
En nu, bijna vijftig jaar later? Ik ben naar de vrijmetselarij gekomen om te leren deel te zijn van het geheel. Al ben ik meester, ik blijf in dit leerdoel volslagen leerling. Ik worstel met mijn talenten. Ik wil zo graag schitteren, het podium vullen, het applaus uitlokken, me manifesteren, telkens opnieuw bevestigd krijgen dat ik goed doe wat ik doe. Dat is op zich niet verkeerd. Het is menselijk en het creëert mooie dingen. Maar ik zou de dingen niet goed willen doen om dat applaus en die bevestiging, maar om die dingen zelf. Iets moois maken, omdat het mooi is om iets moois te maken, niet om dat mooie op mezelf te laten afstralen. Misschien is het onzinnig, maar in het verhaal dat ik mezelf vertel is het een essentieel verschil.    

24    Zijt gij vrijmetselaar?  

Ik ben Meester Vrijmetselaar. En de Eerwaarde Meester legt mij de Geheimen van de 3e Graad uit. Hij legt mij het antwoord op de kenvraag voor: Beproef mij, neem mij aan of verwerp mij, de Acacia is mij bekend.  

Het is een trots en zelfverzekerd antwoord op de vraag: zijt gij vrijmetselaar? Dat trotse, zelfverzekerde hoort bij iemand die zich bereid heeft getoond tot volledige zelfovergave, die zichzelf en de rol in zijn leven heeft geaccepteerd, die al door de dood heen gegaan is. Maar de woorden zijn makkelijker uitgesproken, dan dat ze waar zijn. Op het podium, in het theaterspel, ja, dan kan ik ze met overtuiging brengen. Maar als ik er, buiten die rol, voor mezelf, in moet geloven, dan heb ik nog een lange weg te gaan. Die dood, dat gaat nog wel, dat is een bevrijding, maar het leven op weg naar de dood, die weg afleggen met zelfovergave, met moed en berusting, dat is een zware opgave. Dan is het niet niks om Meester Vrijmetselaar te zijn.  

Maar, gelukkig, ik ben niet alleen op die lijdensweg. Ik ben niet de enige worstelaar, ontworstelaar die zichzelf als kruis meesleept op weg naar Golgotha. Er gaan velen met mij. En ik roep ook op deze avond, gebukt onder die last, tot mezelf: gooi dat kruis van zelfmedelijden toch van je af. Ga rechtop lopen, word mens, word beter mens! En af en toe lukt het aan mezelf te ontsnappen en bevrijd in mezelf terug te keren. Ook al val ik even vaak als Jezus op zijn kruisweg op een onbewaakt moment weer terug in de oude fout. Het blijft niet meer dan een moment van klaarkomen. Ik blijf roepen!   Ik ben nogmaals de nieuw verheven meester en ik word als zodanig op de ons bekende wijze begroet. Ik krijg het 3 x 3 applaus en het voelt heel anders dan dat applaus waaraan ik zo verslaafd ben.  

25    De broederketen  

Ik mag aanschuiven in de broederketen, waar de andere worstelaars, ontworstelaars, ook zichzelf meester staan te wezen en ik voel me opgelucht, ontlast, bevrijd, als we zo staan in die kring, als deel van het geheel. Zo zou het altijd moeten zijn, maar het is lastig arbeiden zo en dus als we aan het werk moeten, dan ontbinden we de keten en sta ik er ogenschijnlijk weer alleen voor. Want die keten is er wel altijd, maar ik voel hem niet zo intensief, niet zo concreet, niet zo vasthoudend als staande in de broederketen.     

26    De meesterarbeid  

De arbeid wacht. Ik moet een cirkel trekken op het tekenbord: de meesterarbeid. De leerlingen- en gezellenarbeid vinden op het tableau plaats. Dus is er wat voor te zeggen die cirkel ook te laten trekken op het tableau. Maar dat gebeurt niet. Bovendien is de passer die wij hanteren in de vrijmetselarij helemaal niet bedoeld om cirkels mee te trekken; het is een instrument om een gelijke afstand over te zetten. Het is geen passer met een krijtje. Maar een cirkel is een verzameling punten op gelijke afstand van het middelpunt, dus zo verkeerd is het nu ook weer niet om die maatpasser te gebruiken om cirkels te trekken. Toch zou ik het een prachtig symbool vinden als de nieuwe meester zijn eerste arbeid met een passer zonder krijtje zou verrichten: een cirkel tekenen op het meesterbord die onzichtbaar blijft: een cirkel waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is. De mystieke cirkel, die alleen bestaat in de woorden waarmee hij zo beschreven wordt, maar die verder onvoorstelbaar. 
Dan volgt nog de catechismus, maar die herhaling van gedane zaken laat ik maar voor wat zij is.  

   
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint