-

DE GEDACHTEN VAN ONS HART

De aanwezigheid van de persoonlijke, christelijke God in het HKG is niet verbazingwekkend als we beseffen dat het Nederlandse HKG, net als de Merk en de RAM rechtstreeks afkomstig is uit de Angelsaksische vrijmetselarij.  Sinds de Antiens de strijd van de Moderns op dit punt gewonnen hebben – ‘De Oude Plichten van Anderson zijn van voor die tijd –, heeft de Angelsaksiche vrijmetselarij de God van het Oude en Nieuwe Testament in hun grondwet staan. Weliswaar heeft ook het Nederlandse HKG niet helemaal slaafs de Engelse tekst overgenomen. De Verheven Ridder Pott vermeldt in ’25 jaar Vrijmetselarij volgens de werkwijze van de Orde van het HKG, blz 111: “dat alle passages in het Engelse rituaal die maar tenderen naar een kenschetsing van de Opperbouwheer als vertoornde Vader, waar tegenover de mens zich slechts in nietige gebrekkigheid kan stellen, stelselmatig uit het Nederlands zijn weggenomen.” Maar de vanzelfsprekende adoratie van die persoonlijke God binnen die Engelse maçonnieke cultuur, ook in de symbolische graden, is binnen het Nederlandse HKG gehandhaafd. In die logica opent het HKG-rituaal met gebed.
 
O, Almachtige, Alwijze, Alomtegenwoordige God, voor Wie alle harten openstaan, Die alle begeerten kent en voor Wie geen geheimen verborgen zijn, reinig de gedachten van ons hart door de inspiratie van Uw Heilige Geest, opdat wij in volmaakte liefde tot u mogen komen om op waardige wijze Uw Heilige Naam te verheerlijken. Amen
 
Wat moet een vrijmetselaar die niet meer in die persoonlijke God gelooft met dit gebed? Want het is nog maar de vraag of bij de Deelgenoten aan het HKG in Nederland ‘alle harten openstaan’ voor de ‘Almachtige, Alwijze, Alomtegenwoordige God, Die alle begeerten kent en voor Wie geen geheimen verborgen zijn’. Ik wil laten zien dat ook de aanhangers van de onpersoonlijke god van Spinoza hun harten kunnen openstellen. Maar dan moet je wel een beetje jezuïtisch redeneren.
 
Met het eerste gedeelte van het gebed kan ook wie uitgaat van de onpersoonlijke ‘god’ van Spinoza goed uit de voeten. Spinoza’s God valt samen met het Heel Al, de gehele natuur. Spinoza’s god /natuur is alwijs, almachtig en alomvattend. Aan het geheel kan geen enkel deel ontsnappen, het geheel bevat alles, dus ook alle begeerten en geheimen.
 
Het wordt wat lastiger om het Heel Al te vragen ‘de gedachten van ons hart’ te reinigen, nog los van wat we ons moeten voorstellen bij ‘de gedachten van ons hart’. Het is vermoedelijk een op zichzelf prachtige poëtische formulering voor onze ‘hartstochten’, ons gevoelsleven, dat wat Spinoza het optreden van de ‘aandoeningen’ noemt. De ‘aandoening’ is op het niveau van de geest het doorleefde bewustzijn van een gebeurtenis die plaatsvindt op het niveau van het lichaam: de aandoening is tegelijkertijd een bewustzijn – het idee van … – en de lichamelijke verandering waarvan de geest zich bewust is. Moeilijk, ik geef het meteen toe, maar net zo moeilijk, want eigenlijk hetzelfde als ‘de gedachten van het hart’.

Voor Spinoza zijn lichaam en geest niet te scheiden, het zijn te onderscheiden uitdrukkingen van wat in wezen een eenheid is. De gedachten zijn van de geest, het hart is van het lichaam: zogezien is ‘de gedachten van het hart’ een compacte samenvatting van de leer van Spinoza’s aandoeningen.
 
Maar het optreden van die aandoeningen zal voor Spinoza nooit een verval of een zonde of een zwakheid of een fout zijn. Begrippen als verval, zonde, zwakheid of fout behoren tot het menselijke perspectief, het perspectief van het deel dat het geheel niet overziet. Het geheel heeft geen oordeel, het is zoals het is. ‘Ik ben die ik ben, die ik was en die ik wezen zal’ is zowel de naam van de Bijbelse God als van Spinoza’s Heel Al. Het Heel Al bidden om ons te reinigen van ‘de gedachten van ons hart’ kan in Spinoza’s denken alleen worden uitgelegd als de wens om ons niet te laten verleiden te denken dat in de natuur het onnatuurlijke mogelijk is, dat in de mens het onmenselijke mogelijk is. Bij Spinoza is alles natuurlijk, het onnatuurlijke bestaat niet. Al het menselijk handelen is menselijk, de mens kan niet onmenselijk handelen. Wat hij onmenselijk noemt is, is wat hij niet zou willen dat mensen dat doen. Alleen in  menselijk perspectief kan de mens onmenselijk handelen. En dat is wel heel iets anders dan wat de persoonlijke God volgens zijn gelovigen ons aan moraal voorhoudt. Maar we zijn Nederlandse vrijmetselaren, we laten elkaar vrij in de interpretaties van symbolen en de Opperbouwmeester van het Heel Al, in het HKG ook wel de Opperbouwheer van het Heelal genoemd, is binnen de Nederlandse vrijmetselarij een symbool van een hoog beginsel, niet meer en niet minder.
 
Dat blijkt ook te gelden voor het HKG. In de discussie over of de vertaling van “In the Name of the Grand Architect of the Universe” nu de Opperbouwmeester des Heelals [de uitvoerder] moet zijn of de Opperbouwheer van het Heelal [de opdrachtgever] stelt Van Peype [Thoth, 1962]: “Uitgangspunt vormt het besef dat alle benamingen die wij aan het Opperwezen geven antropomorfe projecties zijn. In de catechismus zegt men dan ook dat wij de Opperbouwmeester die naam geven.
 
We zijn er nog niet. Het gebed gaat verder: ‘reinig de gedachten van ons hart door de inspiratie van Uw Heilige Geest’. Het is wel duidelijk dat we hier te maken hebben met de christelijke interpretatie van de God van het Nieuwe Testament. Maar als we het woord ‘Heilige’ vanuit zijn grondbetekenis interpreteren [deel uitmakend van de heelheid] dan past het toch ook weer in de Spinozistische godsbeleving en kun je de heilige geest uitleggen als de ratio, het gezond verstand, dat uitgaat van de werkelijkheid zoals ze is en niet zoals mensen willen dat ze zou moeten zijn, de mens die in staat is zichzelf los te maken van het menselijk perspectief en zichzelf te zien als niet meer dan een van de vele dingen die deel uitmaken van het geheel.
 
En dan het slot: ‘… opdat wij in volmaakte liefde tot u mogen komen om op waardige wijze uw Heilige Naam te verheerlijken.’ Dus als wij uitgaan van de onoverzienbare eenheid van het Al en beseffen dat het menselijk oordeel over de wereld waarin wij leven niet meer is dan ons menselijk oordeel  en dat het Heel Al zelf niet oordeelt, dan komen we uit bij de volmaakte liefde, de acceptatie van dat wat is, in plaats van dat wij onze begeerte volgen om de wereld naar ‘de gedachten van ons hart’ te zetten, onze eigen orde te stellen boven de orde die het Heel Al is. En dan verheerlijken wij de naam van het of de Ene, zoals God ook wel genoemd wordt.

Waarde Broeders Deelgenoten, hierop past nog slechts één woord: Amen! So mote it be!


Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint