-
HKG 1   Neen, wij behoren niet tot dezulken
Meester Eckhart & Spinoza

‘Over God wil ik zwijgen,’ zegt Meester Eckhart, de grote Duitse mysticus uit de 13-14 eeuw. En waar de ritus van het Heilig Koninklijk Gewelf uitdrukking wil geven aan de mystieke gewaarwording van het diepste mysterie van het menselijk leven, is de mystieke visie van Meester Eckhart misschien wel iets voor ons. Er zijn immers heel wat Deelgenoten in het HKG die, ondanks hun hang naar mystiek, over de rol van de Opperbouwmeester van het Heel Al liever zwijgen, want zijn nadrukkelijke aanwezigheid als aanbeden, persoonlijke God, die zich niet simpel als symbool laat interpreteren, is voor velen een struikelblok waar ze over heen moeten stappen.

Hoewel elke leerling vrijmetselaar daar toch al blind ervaring mee moet hebben, lukt het sommige meester vrijmetselaren niet om dit struikelblok te overwinnen. In het eigen “Rapport van Afscheidinge” constateert het Hoofdkapittel een daling van 130 deelgenoten in 2012, waarvan zes opgeven dat het rituaal hen niet aanspreekt. Ik heb deelgenoten die na mij zijn ingewijd weer zien vertrekken juist omdat zij moeite hadden  met de nadrukkelijke aanwezigheid van een persoonlijke God in de ritus van het HKG.  Zij gingen de kerk uit voordat de mystiek in hen kon gaan zingen. U uiteraard niet, ik ook niet. Neen, wij behoren niet tot dezulken.

Wij zijn niet gevlucht voor de aanbidding van de Persoonlijke God: Almachtige Opperbouw-meester van het Heel Al, door wiens Woord de wereld uit de chaos werd geboren en in Wien al het geschapene zijn oorsprong vindt, wij smeken U nederig Uw geestelijke zegen op deze plechtigheden te laten rusten en deze Broeder, die thans het Licht van onze oude mysteriën deelachtig wil worden, de Genade te schenken van Uw Heilige Geest. 

O, zeker, ik heb, als ik zulke teksten hoor, ook het gevoel dat ik een ex-katholiek ben die in een kerk op Urk is beland. Prachtige mensen, die Urkers, maar ik heb niets met God als aanbeden persoon. 

Ik heb zelfs niets met wat voor god dan ook, of het moet de god van Spinoza zijn. Net als Eckhart zou ik over die persoonlijke, door mensen toegeëigende God willen zwijgen. Maar … Eckhart zweeg helemaal niet over God. Natuurlijk niet, hij was voller van God dan ik er leeg van ben. Hij heeft zijn hele leven niets anders gedaan dan prediken, delibereren en schrijven over God. Maar op een manier die mij toch wel aanspreekt. Dit schreef hij bijvoorbeeld: Het hoogste en uiterste wat een mens kan loslaten, is dat hij God omwille van God loslaat. 

God loslaten? Is Meester Eckhart dan van God los? Nee, hij behoort niet tot dezulken. Maar hij behoort ook zeker niet tot degenen die zich God toe-eigenen. Want als Meester Eckhart God omwille van God loslaat, blijft er een God over zoals God in zichzelf is,een onuitsprekelijke God, een God die geen naam mag hebben. Zijn God is de Ene zonder tweede. De mens die God omwille van God loslaat geeft nooit iets aan God of ontvangt ooit iets van God.

Stop met in te vullen wie of wat God is, zegt Eckhart, stop met in te vullen wat God al dan niet vermag te doen en wat jij moet doen om God tot dit of dat te bewegen. De God van Eckhart vraagt net zo min als de God van Spinoza om offers en reageert niet op smeekbedes.

De mens die God omwille van God loslaat, stapt uit het perspectief dat veronderstelt dat er zoiets is als een ik naast of tegenover God, een binnen en een buiten, een geven en ontvangen. God is de Ene zonder tweede, er is niets goddelijks buiten God, God is alles. Het is enkel één en louter één-zijn, zegt de mysticus Eckhart.  

Het is alsof je bij de God van Spinoza bent beland. Zou Eckhart een Spinozist avant la lettre zijn? Is voor hem God en het Heel Al of de Natuur een en hetzelfde? Ja en neen.

Nee, Eckhart lijkt, als je zijn preken leest, soms de rationalist die Spinoza is, maar zijn woorden komen niet uit de rationele analyse, maar uit zijn hartstocht. Meester Eckhart is vervuld van een rationele hartstocht, hij is een mysticus  die de eenwording met God zoekt, wil opgaan in God, samenvallen met God. Spinoza is een monist, voor wie God gelijk is aan het Heel Al, het geheel waar wij deel van uitmaken. En als deel van het geheel gaan wij misschien op in het geheel, maar wij worden nooit het geheel, wij blijven in welke vorm dan ook een deeltje. Eckhart is een mysticus, hij wil één worden met God, hij wil promoveren van deel naar geheel.

Ja, Eckhart is – zonder dat zo uit te spreken – zich net als Spinoza wel bewust dat het de menselijke mens is die het niet kan laten zich God voor te stellen als een mens, dat de mens God heeft geschapen naar zijn beeld. En dat beeld moet hij nou juist loslaten. Hij moet zich geen beelden maken van God. Mozes wist het al! Hij riep het tot zijn volk in de woestijn: Neen, behoor niet tot dezulken die God afgieten in een gouden kalf om hem te aanbidden tot eigen gewin. U hoort het, ik ben een geboren dominee, ik zou het helemaal nog niet zo slecht doen op Urk.

Niet dat voor Eckhart God en het menselijk ik een illusie, een zinsbegoocheling zijn, niet meer dan een menselijk gedachtespinsel. Ook niet dat het menselijk ik en God eigenlijk en in wezen één zijn. Neen, in de mystieke droom van Eckhart verdwijnt de scheiding tussen het menselijk ik en God en is er alleen nog God en geen menselijk ik meer. Wat overblijft als hij het menselijk ik heeft afgeworpen is eenheid, het één-zijn. Het is het menselijk ik dat het goddelijke in de weg zit. Het is de mens die met zijn bewustzijn de splitsing maakt tussen God en mens, omdat ons bewustzijn zich per definitie verhoudt tot iets anders buiten zich. Het bewustzijn is altijd een bewustzijn van iets buiten ons. En daarom is de mens niet in staat de eenheid, die immanent in ons woont, bewust te ervaren en te kennen. Als een echte mysticus wil Eckhart aan zijn menselijk ik ontsnappen en alleen het goddelijke overhouden.

Eckhart is een mysticus, Spinoza niet. Voor Spinoza blijven wij wat we zijn: een minuscuul onachtzaam deeltje van het oneindige geheel dat, wat dat deeltje zich ook in het hoofd haalt, een minuscuul onachtzaam deeltje van het oneindige geheel zal blijven.

Ik geloof meer in de God van Spinoza dan in de God van Eckhart en ik verhoud me niet tot een persoonlijke God zoals die zich in de ritus van het Heilig Koninklijk Gewelf manifesteert, maar ik mis bij de rationalist Spinoza wel de Schoonheid van het mystieke, al heb ik geen idee wat die Schoonheid dan is. Maar het gemis alleen al is voor mij genoeg reden om de ritus van het HKG niet de rug toe te keren. Neen, ik behoor niet tot dezulken.

Zie het zo: onze eerste meesterarbeid na de verheffing tot meester is het tekenen van de cirkel waarvan het middelpunt overal  en de omtrek nergens is. Een onmogelijke opdracht, maar meesterlijk als wij zijn, pakken wij een passer met een krijtje en tekenen een cirkel vanuit één middelpunt met een zichtbare omtrek en laten de ceremoniemeester door de loge rondgaan om dit meesterwerk aan alle Broeders te laten zien als het onvolmaakte voorbeeld van de eeuwige cirkel. Ach ja, hoe moet je anders het onzichtbare zichtbaar maken, het onuitsprekelijke uitspreken? Het is een menselijke paradox dat wij willen verbeelden wat niet in een beeld te vatten is. Volgens Eckhart kun je dan beter zwijgen.

Ik heb overigens wel een beeld van hoe het anders kan. Je zou ook een cirkel met een maatpasser, dus zonder krijtje, kunnen tekenen op de duisternis van het zwarte bord. Je hoort het krassen van de ijzeren punt over het bord, maar het resultaat is onzichtbaar. En laat dan die lege duisternis zien aan alle broeders als bewijs dat de nieuw verheven meester zijn meesterwerk heeft aangevangen.

Anders dan in de Engelse werkwijzen, waarvan het Heilig Koninklijk Gewelf deel uitmaakt, zijn we in de Nederlandse Blauwe Graden zo eigenwijs dat we aan onze ritualen sleutelen. Ik heb mijn Voorzittend Meester in de Friesche Trouw overgehaald bij een Verheffing afgelopen april [2013] bij wijze van experiment de nieuwe Meester de onzichtbare cirkel te laten trekken. Zoals verwacht waren de reacties niet allemaal positief. De kleren van de keizer was het niet positief bedoelde oordeel van een Achtbare Broeder. Hij had gelijk. Hij had tot nog toe altijd de kleren van de keizer gezien, nu voor het eerst zag hij de keizer zelf. En dat blijkt even afschrikwekkend als de naakte waarheid.

Ik vind eigenlijk dat de meesterarbeid zou moeten leiden tot een onzichtbare cirkel. Maar dat de onvolmaakte zichtbare cirkel als symbool wordt gebruikt voor de volmaakte onzichtbare is net zo min een reden om de vrijmetselarij te ontvluchten als het een reden is om de Orde van het Koninklijke Gewelf te ontvluchten omdat een persoonlijke god symbool staat voor het onvermogen van ons bewustzijn ons ik één te laten zijn met de Opperbouwmeester van het Heelal. Het onvolmaakte is het menselijke dat de mens per definitie niet kan ontlopen door het volmaakte op te eisen. Wij gaan onze onvolmaaktheid niet uit de weg. Neen, wij behoren niet tot dezulken.

Hier zit de kern van het menselijk lijden: door zijn bewustzijn, dat de mens maakt tot wie hij is, is de mens uitgesloten van dat waar het hart van Meester Eckhart vol van is: de unificatio: de eenwording met God. Maar Eckhart geeft een route aan om aan dat lijden ontsnappen. Dit lijden is niet het einde. De mens kan, omdat hij altijd al Goddelijk is, tot Goddelijke staat geraken en God in zichzelf realiseren. Wat hij daarvoor moet doen is zich losmaken van alles wat zich buiten of in de geest voordoet en alles te laten zijn wat er is en alles in z’n zijn te laten. Pas als het eigen ik met al zijn beelden, voorstellingen en begrippen, zijn verlangens, verwachtingen en vooroordelen zwijgt, als het eigen ik stil is, leeg is, is er ruimte voor het oorspronkelijke, goddelijke bewustzijn.

De onvolmaakte God loslaten om voor de volmaakte God ruimte te maken.  Behoor ik tot dezulken? Neen, maar als ik het los van God beschouw, vind ik het wel een mooi idee. Wie van ons zou niet bevrijd willen zijn van al die onvolmaakte beelden, voorstellingen en begrippen, al die verlangens, verwachtingen en vooroordelen om ruimte te scheppen voor volmaaktheid. Ook al kan het rationeel niet, het is wel de Schoonheid waar ik naar streef. Het denken kan de goddelijke eenheid niet vatten, het kan zich alleen maar door die goddelijke eenheid laten vatten, door zichzelf uit te schakelen, het zwijgen op te leggen, stil te zijn. Ken u Zelve is hier het besef van eigen onvolmaaktheid en het streven naar volmaaktheid wil dat zelf wegcijferen, mij van dat zelf bevrijden. Het naar buiten toe gerichte actieve spreken moet het naar binnen toe gerichte passieve zwijgen worden.

Prachtig! Maar ja, als ik hier in plaats van te spreken een half uur had staan zwijgen, zou u dan begrepen hebben dat mijn zwijgen in plaats van nietszeggend juist veelzeggend had moeten zijn. Net als Eckhart heb ik woorden nodig om het zwijgen te promoten. En net als Eckhart kan ik mijn mond niet houden. Maar wat ik met die woorden te pakken wil krijgen, dat kunnen die woorden niet pakken.

Menselijke woorden zetten je altijd op het verkeerde been. Neem ons paswoord Ami Rucháma. In het kleine rode boekje van het HKG staat op p.66 dat de tekst is ontleend aan Hosea 1:12 en 2:22 en dat Ami Rucháma betekent: Mijn volk heeft genade gevonden. Het is ons allen verteld door de Eerste Bijwoner als Broeder Onderzoeker.

Wat moet dit paswoord de aanstaande deelgenoot vertellen? Het boek Hosea is geen simpel stukje Bijbel. Wie de modernere vertalingen pakt, loopt al vast bij het zoeken: er is geen vers 12 in hoofdstuk 1, dat stopt bij vers 9. Vers 12 vinden we wel in de Statenvertaling. Jawel, wij moeten bij dezulken zijn. En wat staat daar: Zegt tot uw broederen: Ammien tot uw zusteren: Rucháma.

Bij 2:22 krijg je in de modernere vertalingen een in deze context onbegrijpelijk vers, dus ook daar naar dezulken: En ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Rucháma; en ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God.

De combinatie Ami Rucháma komt in de hele Bijbel niet voor. Wat staat er dan wel? In welke context staan de woorden Ami en Rucháma? Het boek van Hosea is het boek van afvalligheid, van geestelijke hoererij. Hosea richt zich voornamelijk tot de tien stammen van Israël, het Noordelijk Koninkrijk, vlak vóór de Assyrische ballingschap. God zegt tegen Hosea dat hij een relatie aan moet gaan met Gomer, een hoer. Gomer staat voor de overspelige vrouw, symbool voor Israël dat zich van de Ene heeft afgekeerd en het heil verwacht van de heidense goden Baäl en Astarte. De hoer baart  drie kinderen, waarvan het dus de vraag is of Hosea daarvan de vader is.

De eerste is een zoon, die Hosea op Gods bevel Jisreël noemt, een naam met drie lagen: het is de naam van een vallei waar Jehu ooit de afvallige koningen van Israël en Juda ombracht, en het is in het Hebreeuws een werkwoord met een dubbele betekenis, namelijk ik zal verstrooien en ik zal zaaien. De naam staat symbool voor vernietiging en bloei, voor de onder- en opgang van het huis van Israël.

De tweede is een dochter, die hij Lo-Rucháma moet noemen, wat Hebreeuws is voor geen genade. Waar zijn volk Hem in de steek laat, kan de Ene zijn ontrouwe bruid niet langer de hand boven het hoofd te houden en redden van haar vijanden. Maar de Ene is genadig. Als zijn bruid zich weer tot Hem wendt, zal Hij haar weer in genade aannemen. Van Lo-Rucháma zal zij Ruchama worden.

De derde is weer een zoon, die hij Lo-Ammi moet noemen, wat niet mijn volk betekent. Een afvallig volk kan de Ene  niet langer als zijn volk beschouwen, maar keert het tot hem terug, dan zal het niet langer Lo-Ammi, maar Ammi zijn.

Hosea profeteert in de periode die aan de Babylonische ballingschap voorafgaat. Die ballingschap is de verstrooiing van het volk van Israël. Als de eerste bijwoner zegt Neen, wij behoren niet tot dezulken, dan bedoelt hij daarmee dat hij niet tot het afvallige volk van Israël behoort, maar afstamt van het volk van Juda, dat, naar eigen zeggen, zich wel als een trouwe bruid heeft gedragen. De eerlijkheid gebiedt overigens te zeggen dat de redactie van het bijbelboek Hosea duidelijk een Judees stempel draagt en de nodige historische vervalsingen vertoont. Maar ach, wie behoort niet tot dezulken?

De vertaling van Ami Rucháma met Mijn volk heeft genade gevonden stamt letterlijk uit de New King James Bible Hosea 2 vers1 – ik weet het, het is verwarrend, de mensen hebben van de redactie van Gods woord een zootje gemaakt –:  say to your brethren ‘My people’ and to your sisters ‘merci is shown’. Buiten de context krijgt Mijn volk heeft genade gevonden een volstrekt eigen betekenis en is de lading die eronder ligt geheel uit het zicht verdwenen, namelijk dat het gaat om een namenspel met twee van drie godverlaten hoerenkinderen: Jisreël [Ik zal verstrooien en zaaien], Lo Rucháma [zonder genade] en Lo Ami [niet mijn volk].  Hoerenkinderen zijn het, omdat het volk Israëls echtbreuk heeft gepleegd in het huwelijk met god, en dan krijg je een menselijke god, een god die zich wreekt, maar omdat hij ook een goddelijke god is, zich openstelt voor verzoening, want Hij heeft nu eenmaal beloofd dat Hij zijn volk talrijk zal maken als het zand van de zee.

Het paswoord Ammi Rucháma is het versimpelde deel dat zich heeft losgezongen uit het complexe geheel en dat om begrepen te worden zich weer moet verenigen met zijn oorsprong. Lo Ammi Lo Rucháma zou kunnen staan voor de ik-mensen die zich hebben losgezongen van de Ene zonder tweede en hun heil hebben gezocht in het dualisme van ik naast God. Lo Ammi Lo Ruchama is ik van God los. Dat menselijk ik staat hun verlangen in de weg Ammi Ruchama te worden, één te zijn met God. Als het hun lukt dat ik weer los te laten, dan vinden zij Gods genade, worden zij Ammi Rucháma, één met God. 

Zouden wie niet tot dezulken behoren ernaar streven hun ik te verliezen om weer een te kunnen zijn met het goddelijke? Het is niet à la Spinoza, maar het is wel Schoonheid.  

Als die eenheid ooit bereikt zou kunnen worden, kunnen we over alle oneffenheden heenstappen. Dat op het reukaltaar – de  dubbele kubus in het gewelf – de initialen van de drie Grootmeesters initialen van Latijnse woorden zijn is dan geen struikelblok meer. Mocht u zich ooit aan dat anachronisme geërgerd hebben, bedenk dan dat de tempel van Salomon waarschijnlijk nooit in werkelijkheid heeft bestaan en dat het er niet toedoet dat hij nooit bestaan zou hebben, want het niet-bestaande speelt voor mensen een even grote, zo niet een grotere rol dan wat wij voor werkelijkheid laten doorgaan. Misschien heeft het anachronisme wel de functie dat juist op het moment dat we in de diepte van ons gewelf de Logos, de orde ontdekken, de chaos zichtbaar wordt. O, wat zou dat mooi passen in mijn wereldbeeld. Schoonheid is vaak te mooi om waar te zijn.

Het onuitsprekelijke laat zich niet uitspreken, tenzij het zich bevindt in de stilte tussen de woorden. Het onuitsprekelijke bestaat alleen in de stilte. Het bevindt zich buiten onze woordenschat, maar daarom is het er nog wel. Eckhart zegt: Het moet zijn in een stilte en een zwijgen dat dit woord gehoord wil worden. Men kan dit woord niet beter tegemoetkomen dan met stilte en zwijgen: daar kan men het horen en daar verstaat men het op de juiste manier, in het onweten. Waar men niet weet, daar bewijst en openbaart het zich.

Ik ben me al worstelend met de werkelijkheid bewust geworden dat de werkelijkheid groter is dan mijn werkelijkheid, dat ik die werkelijkheid niet kan kennen, maar dat neemt niet weg dat ik die werkelijkheid – ondanks dat die niet kenbaar is – wel wil kennen. Het moet toch kunnen, want de werkelijkheid, het Heel Al, is voortdurend om me heen. Ik weet het, mijn ik zit in de weg,  mijn geprogrammeerde hersenen, mijn opvoeding, mijn vooroordelen, mijn beeldvorming. God, wat maakt u het ons moeilijk. Ik zal nooit weten wat zich bewijst en openbaart waar men niet weet. Eckhart wel. Het zwijgen, de stilte geeft het onhoorbare, het onuitsprekelijke onzichtbaar gestalte, als een cirkel waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is. Een “keizerlijke” kunst.

Wat wij zo graag uit zouden willen spreken, maar niet uit kunnen uitspreken,noemt Eckhart een verborgen woordIs zijn verborgen woord zoiets als ons verloren woord, het woord dat wij naarstig zoeken en dat we volgens Eckhart pas zullen vinden als we ophouden met zoeken, maar dat wij, deelgenoten van het Heilig Koninklijk Gewelf, in ons ritueel letterlijk ont-dekken als wij met gevaar voor eigen werkelijkheid in het gewelf van het eigen zelf afdalen om in het licht van volle middag de gouden plaat te ontsluieren waarop de letters van verloren woorden staan?

Is dat het moment dat we plotseling doorhebben: Ja, wij behoren tot dezulken?

Meest Verhevene, ik vertrouw met deze Rede tot dezulken te behoren die mee mogen werken aan de herbouw van de tempel die mogelijk nooit bestaan heeft.   
Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint