-

Maçonnelogie 14       Vrijmetselarij oktober 2013  

In essentie vrijmetselaars

Om de essentie van iets te bepalen hebben we taal nodig. Wie zich ooit heeft verdiept in de filosoof Wittgenstein en een poging heeft gedaan om de Tractatus logico-philosophicus te doorgronden is zich bewust van de beperkingen die Wittgenstein de taal oplegt. Wittgenstein bestudeert de logica van de taal en constateert dat taal alleen betekenisvol is als de woorden die we gebruiken verwijzen naar het feitelijke. Het zelfstandige naamwoord roos [een voorbeeld dat Wittgenstein nooit gebruikte] verwijst in eerste instantie naar een bepaalde concrete bloem. “De bloem in deze vaas is een roos” is een zin waarin alles helder verwijst naar een bestaande, in dit geval aanwijsbare werkelijkheid. In tweede instantie, dus afgeleid, verwijst de roos naar een soort bloemen. Ik kan over het begrip “roos” spreken zonder dat ik een specifieke roos bedoel. De roos hoeft niet aanwezig te zijn, maar het beeld dat het woord oproept in onze hersenen [al is het beeld in uw hersenen mogelijk anders dan in de mijne] is een abstractie van concrete rozen.  

Bij Plato is het zo dat de concrete roos een onvolmaakte schaduw is van de idee roos. Het Griekse “eidos” betekent beeld. Plato gaat uit van een ideële volmaakte wereld, waarvan wij in onze werkelijkheid slechts een onvolmaakte afschaduwing zien. Wittgenstein keert het om: onze hersenen vormen uit de dingen die wij concreet waarnemen ideeën. De idee roos is bij hem dus afgeleid uit concrete rozen. Zodra ik de idee roos ga gebruiken als symbool verlaat ik de wereld van de feitelijkheden, zing ik het beeld roos los uit de werkelijkheid die we ons kunnen “verbeelden”, betreden we de wereld van de hersenspinsels. De roos kan dan symbool staan voor enerzijds de onvoorstelbare eeuwigheid, de hemelse volmaaktheid, de volheid, de goddelijke kracht, de ideale wereld, het levensgeheim, het onbekende, de opperste schoonheid, anderzijds voor de tijdelijke menselijke hartstochten, de lustbevrediging, de roes, de zinsbegoocheling, de betovering, de liefde. Wie met de roos als symbool communiceert, is, volgens Wittgenstein, betekenisloos, in de zin dat de beelden die worden opgeroepen abstracties zijn van abstracties. We gebruiken woorden waarbij we in feite niet meer weten waar we het over hebben. “In de naam van de Roos” is een titel die even multi-interpretabel is als er lezers van het boek zijn.  

De Vrijmetselarij kenmerkt zich door haar symbooltaal, een taal die bestaat uit  abstracties van abstracties van abstracties op zoek naar een spirituele waarheid. Niet de feitelijke waarheid maar waarheid die daar als een idee van Plato achter schuilgaat of juist boven uitstijgt, de idee die via Wijsheid en Kracht voert tot onzegbare Schoonheid. Een waarheid van ‘zinloze’ woorden volgens de Tractatus. Filosofie zou moeten zwijgen waar ze geen zinvolle = feitelijke uitspraken kan doen. Dus hing Wittgenstein zijn filosofische viool aan de wilgen en ging tuinieren. Toen hij later terugkeerde naar de filosofie kon ook hij het niet laten te spreken waarover hij had moeten zwijgen.  

De Tractatus begint met de essentie van Spinoza: De wereld is alles wat het geval is. Spinoza en Wittgenstein laten geen ruimte aan “meer tussen Hemel en Aarde”. Het Heel Al is.  Bestaan is het doel. Het bestaan heeft geen doel. Zingeving is een menselijke activiteit. Als ik zin geef aan mijn bestaan, betekent dat niet dat het bestaan ook zin heeft. Dat is nou precies wat Wittgenstein bedoelt met zinloze uitspraken. Onze zingeving verandert niets aan wat is, maar kan wel een goed gevoel geven. Taal maakt het Heel Al zelf niet anders, maar wel mijn beleving ervan.   Met onze bouwsymboliek kun je een loge vormen, maar geen logegebouw neerzetten waarin je dat kunt doen. Wij bouwen een geabstraheerde wereld waarin we als eenzame individuen een Broederschap vormen die streeft naar het overbruggen van verschillen om van de mensheid één kudde te maken.   

Spinoza en Wittgenstein waren eenzame mensen. Hun denkbeelden waren vreemd aan de tijd waarin ze leefden. Spinoza liet zijn opvattingen bewust pas na zijn dood publiceren. Wittgenstein was wel overtuigd van maar niet trots op zijn waarheid. Tot op de dag van vandaag worden Spinoza en Wittgenstein gezien als moeilijke filosofen. Hun waarheid is overigens niet zozeer moeilijk te begrijpen, zij is vooral moeilijk te verteren. Beiden wisten dat. Spinoza doet zijn best om het leven als epicurist toch iets moois te geven. Wittgenstein compenseerde de dood van de filosofie met idealisme die hij op zijn manier praktiseerde “in het Westen”. Het zouden in essentie vrijmetselaars kunnen zijn.

Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint