-
Maçonnelogie 31    VRIJMETSELARIJ 2015 nr 8

DE OPPERBOUWMEESTER 
VAN HET HEEL AL

Een van de symbolen die de vrijmetselaar zelf moet of mag invullen is de ‘Opperbouwmeester des Heelals’. Dat we dit symbool zo noemen stamt uit 1928. In het rituaal van 1801 heet dat symbool de ‘Groote Bouwmeester van het Heelal’ in 1812 de ‘Groote Bouwmeester des Heelals’, in 1820  de ‘Groote Bouwheer van het Geheelal, in 1865 de ‘Opperbouwheer des Heelals’, in 1901 als in 1865, maar ook de ‘Opperbouwheer der werelden’  en ik zelf geef de voorkeur aan de ‘Opperbouwmeester van het Heel Al’.

Het lijdt weinig twijfel dat de vrijheid om de ‘O\B\d\H\’ symbolisch op te vatten niet wereldwijd verspreid is. In grote delen van de vrijmetselaarswereld duidt het begrip op ‘God’ en er zijn aanwijzingen genoeg om aan te nemen dat dat ook geldt voor de Nederlandse vrijmetselarij, waarschijnlijk tot en met het rituaal van 1928. In de oudere ritualen wordt het woord ‘God’ vaak ook nog genoemd.

Nu is het helder dat ‘God’ ook altijd een symbool geweest is. Het begrip is immers ondefinieerbaar en elke poging tot definitie is een menselijke toe-eigening. Het heeft altijd behoord tot het domein van het onaanraakbare [niet door de duisternis gegrepen] en daarbinnen weer tot het domein van het onuitsprekelijke [niet door de duisternis begrepen].

Het meest vertrouwd is de ‘O\B\d\H\’ in een dualistisch opvatting, die uitgaat van een gescheiden wereld van geest en stof. Daarin wordt de Opperbouwmeester als de schepper, maker, vormgever van het Heel Al gezien en maakt geen deel uit van het Heel Al zelf. Het accent in de ‘O\B\d\H\’ ligt hier op de Opperbouwmeester.

Minder vertrouwd is de monistische opvatting, bijvoorbeeld die van Spinoza, die uitgaat van de eenheid van het Al, de eenheid van geest en stof.  Daarin is het Heel Al zelf God, de Opperbouwmeester, schepper, vormgever en zijn alle verschijnselen in het Heel Al ‘wijzen’ [modi] waarop het Heel Al / God zich uitdrukt. Het accent in de ‘O\B\d\H\’ ligt hier op het Heel Al.

De kracht van de vrijmetselarij ligt in het slaan van bruggen tussen wat onoverbrugbare tegenstellingen lijken, te verbinden wat scheidt. Zij doet aan religare: tot eenheid [terug] brengen wat gescheiden is [geraakt]. Het symbool van de “Opperbouwmeester van het Heel Al” kan een wijs, krachtig en schoon voorbeeld zijn van de verzoening tussen het dualisme en het monisme, beiden slechts uitdrukkingen van “het Licht dat de duisternis niet heeft gegrepen/begrepen”. 


Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint