-
39a    Een roos is een roos is [g]een roos

In de verte lijkt ze een lief schattig meisje dat met een smetteloos wit jurkje aan in de nazomerzon iets uit een boom lijkt te willen plukken, maar als de camera inzoomt blijkt het een jonge, verveelde puber, die blijkens de groene vegen op haar gekreukte veel te grote witte jurk eerst in het vers gemaaide gras heeft gelegen en nu met een zakmes rondom in de boom een eindeloos leesbare zin aan het snijden is: roos is een roos is een roos is een roos is een... Niets is wat het lijkt. 

Het filmpje dat ik zojuist in uw hersenen heb vertoond bestaat niet; geen camera heeft het ooit geregistreerd; het is niet op You Tube te vinden. Het komt uit mijn brein, ik heb het toegevoegd aan de wereld. Woorden hebben beelden gecreëerd die u zonder beamer en projectiescherm met uw hersenen kon zien. Taal kan wel wat.

Roos is een roos is een roos is een roos is een vertaling van een beroemde, veel geciteerde en geparodiëerde zin van de Amerikaanse in Parijs wonende dichteres Gertrude Stein uit een overigens volkomen onbegrijpelijk gedicht, Sacred Emily, geschreven in 1913. De zin is met name zo populair geworden omdat hij de taalparadox zo simpel weergeeft: een woord verwijst naar de werkelijkheid: een roos is een roos en niet meer dan een roos, maar is tegelijk meer dan de werkelijkheid. Taal voegt vrijwel altijd iets aan de werkelijkheid toe: de schoonheid van de roos symboliseert hier ook de schoonheid van het meisje Roos. De roos is een metafoor, een vergelijking zonder als, die de neiging heeft zich een eigen zelfstandig bestaan te verwerven, een eigen werkelijkheid te worden, zich los te zingen van waar zij haar ontstaan aan te danken heeft.  

Wat bijvoorbeeld voegt Frederik van Eeden in De waterlelie toe aan de werkelijkheid van de witte waterlelie? 

De waterlelie 

Ik heb de witte waterlelie lief,
daar die zo blank en zo stil haar kroon 
uitplooit in 't licht. 

Rijzend uit donkerkoele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart. 

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer . . . 

De ik heeft de witte waterlelie lief, de dichter zingt een loflied op de bloem die zich op het water zo prachtig wit en in alle rust uitvouwt in het zonlicht. Tot zover zou het natuurfilmpje kunnen zijn.

De bloem heeft een verleden: omhoog komend uit de donkerkoele vijvergrond, uit de modder, heeft zij het licht gevonden en toen, toen zij het licht gevonden had, heeft zij blij haar gouden hart geopend. Met een onderwatercamera zouden we kunnen filmen hoe het licht doordringt tot op de vijverbodem en daar de in de modder aanwezige kiem prikkelt tot leven, tot ontwikkeling. Wij zien hoe stengels groeien naar het licht toe tot zij de oppervlakte hebben bereikt, hun grote groene bladeren ontplooien over het water en hoe daartussen een enkeling zich ontpopt als een bloem met witte bloembladen buiten en een goudgeel centrum. Maar de hartstocht naar het licht en de blijdschap van de waterlelie bij het openen  van haar gouden hart is niet te filmen, alleen te interpreteren. 

Daar verlaat Van Eeden de pure natuur en vermenselijkt hij de witte waterlelie, maakt hij haar tot symbool van zichzelf, van een mens, van de mens. De mens die het licht – nu niet langer het zonlicht, maar het niet te filmen Licht met een hoofdletter – … de mens die het Licht gevonden heeft en in zijn hart dat Licht heeft opgenomen, zodat het hart het gouden Licht uitstraalt. Die mens kan rustig als een waterlelie op het water liggen peinzen, die mens heeft zijn doel bereikt, die wenst niet meer … En achter meer staat dan geen punt, maar staan drie punten, een open einde, waarmee de dichter suggereert dat hij wenst zo ver te komen dat hij niet meer wenst, maar dat hij nog niet zo ver gekomen is, puntje, puntje, puntje.

Waar Van Eeden zich los zingt van de werkelijkheid, de fysica voorbij, komt hij terecht in de metafysica, in de niet te filmen wereld waar symbolen verwijzen naar het onvoorstelbare, onuitsprekelijke, ondefinieerbare … daar  schept hij  een symbolische wereld die openstaat voor alle mogelijke interpretaties, … interpretaties waarbij de symbolen van de een vervangen worden door de symbolen van de ander. 

Een vrijmetselaar bijvoorbeeld zou De Witte Waterlelie naar zichzelf toe kunnen trekken en interpreteren als het verlangen zich te ontworstelen aan de donkerkoele vijvergrond, het verdeelde en verwarde Westen, de moeilijke tijd waarin wij leven, de Duisternis, en te streven naar het Licht in het Oosten, de Vlammende Ster, waarvoor hij zich wil openstellen, dat hij in zijn hart, zijn binnenkamer wil opnemen en het van daaruit blij uitstralen naar buiten. En als hij die toestand heeft bereikt is hij de Kubieke Steen waarmee de Tempel gebouwd kan worden en kan hij zijn bijdrage leveren aan het te voltooien bouwwerk. En dan volgen die drie puntjes, dat open einde, want het bouwwerk – weten wij – wordt nooit voltooid.  

Nu zullen er altijd mensen zijn die dat soort interpretaties afwijzen. Voor hen is het gedicht van Van Eeden en moet het dus binnen het referentiekader van Van Eeden worden geïnterpreteerd. Wat bedoelt de dichter?! Uiteraard zijn dat mensen die weinig van kunst en poëzie snappen,  zoals er ook vrijmetselaren zijn die niets van hun eigen ritualen snappen, maar zij mogen er ook zijn: wij houden de buitenbeentjes binnen boord. 

Bovendien zijn er zelfs dan nog meerdere interpretatiemogelijkheden, uiteraard niet te filmen! Van Eeden is een utopist. Hij droomt van, hij streeft naar het ideaal. Binnen zijn utopische visie illustreert de waterlelie zijn verlangen naar een ideale wereld. Hij kent uiteraard de kloof tussen ideaal en werkelijkheid, tussen de prachtige bloem met het gouden hart, die hij wil zijn, en de donkere, harteloze vijvergrond, waarin hij wortelt. Die drie puntjes geven dan aan dat Van Eeden zich ervan  bewust was dat het ideaal niet volledig haalbaar is, al was het maar omdat de schoonheid van de bloem toch afhankelijk is van het voedsel uit de donkerkoele vijvergrond. Het ideaal zingt zich per definitie los van de werkelijkheid en kan als zodanig niet in de werkelijkheid bestaan, net zo min als Narcissus samen kan vallen met zijn spiegelbeeld. Een ideaal hebben is geen ideaal zijn. Een symbool van een roos is geen roos. Met het woord stok kun je geen hond slaan.

Maar Van Eeden is naast utopist op latere leeftijd ook rooms-katholiek geworden. De Witte Waterlelie mag – volgens  sommigen moet – dan ook religieus geïnterpreteerd worden. En dat kunnen ze dan ook met bewijzen ondersteunen. Van Eeden zegt immers in zijn Johannes Viator, het boek van de liefde uit 1892: 'Ik ben een witte lelie en mijn leven is het opengaan in Uw licht'. 'Uw licht' is voor Van Eeden en zijn alter ego Johannes Viator net als voor de Bijbelse Johannes de liefde van God en die liefde is de ware grond van het leven. 

Bovendien is een bloem als beeld van de ziel niet ongebruikelijk bij religieus geïnspireerde dichters. Zoals de bloem zich wendt naar het zonlicht, zo richt de ziel zich naar het goddelijk Licht. De Waterlelie – net als de Lotus – ontworstelt  zich aan de zwarte duisternis, zoekend naar het Licht om daar zijn schoonheid te laten zien en vrede, volmaaktheid te vinden. En over die drie puntjes op het einde hoor je dan niets.

Dat symbool voor schoonheid, vrede, volmaaktheid wordt ook symbool voor Christus, die door zijn lijden verlossing brengt. Christus is De Witte Waterlelie. Christus is de Roos aan het kruis. Die roos is geen roos is een roos is een roos is een roos. Die Roos voegt wat toe aan de kale werkelijkheid van het leven, staat symbool voor het leven, is met zijn doornen het lijden en met zijn schoonheid de verlossing.  

Nooit is het treffender verwoord dan door Johannes de Evangelist: 

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis is er niet tegen opgewassen. 

Het Woord is het begin van alles. Het Woord geeft de dingen niet alleen een naam, maar ook een betekenis, een waarde, een plek in het geheel. Het Woord schept, voegt een ordening toe aan de werkelijkheid, creëert de mensenwereld. De niet te filmen wereld van de mensen is een wereld van woorden.

Maar de taal waarmee we de wereld ordenen is niet eenduidig, we kunnen er alle kanten mee op en we gaan er ook alle kanten mee op. De taal doet uitspraken over de werkelijkheid, maar is de werkelijkheid daarmee niet. Een roos is een roos is een roos is een roos, maar tegelijkertijd veel meer dan een roos. Zeker als je zoals Gertrude Stein de zin rose is a rose is a rose is a rose is a door een eenzaam meisje als een eindeloze zin rondom in een boomstam laat kerven in een kinderboek dat The World is round heet. Dan weet je dat de taal zo veel meer oproept dan alleen de te filmen werkelijkheid, dan spreek je het onuitsprekelijke uit.

Taal laat zich op veel manieren interpreteren, betekenis geven. Zoals je De Witte Waterlelie met en zonder God naar je toe kunt halen, kun je ook het rituaal van het Rozekruis met en zonder God naar je toehalen. Dezelfde discussie doet zich dan voor. Het is zonneklaar dat allerlei elementen in het rituaal oorspronkelijk verwijzen naar de lijdende en verlossende Christus en naar de eucharistie. Niet voor niets was er bijvoorbeeld bij de Grootmeester Willem Frederik verzet tegen de Hogere Graden. Maar het is evenzeer waar dat de symbolen die in het Christendom gebruikt worden symbolen zijn die ouder zijn dan het Christendom, ook buiten het Christendom gebruikt worden en in bredere dan alleen Christelijke betekenis kunnen worden gebruikt. Zo houden we de boel bij elkaar: de ruimte die de taal biedt voor interpretatie en de afspraak dat ieder voor zich recht heeft op zijn eigen interpretatie van die taal  maken het mogelijk theïsten en atheïsten samen te laten werken aan een betere, meer liefdevolle wereld, zich samen vol overgave op te offeren voor het ideaal. 

Duidelijk is ook dat met behoud van de essentie – wat die dan ook is – de taal in het rituaal in de 210 jaar dat de Hogere graden in Nederland actief zijn voortdurend is aangepast aan de tijd. Weliswaar is een neiging tot archaïsch taalgebruik veel vrijmetselaren niet vreemd  alsof je door het gebruik van oude taal en oude symbolen meer deel van de eeuwigheid bent dan wanneer je je aanpast aan de waan van de dag – in elk kapittel sleutelt men aan de taal van het rituaal om compatibel te blijven met de wereld waarin wij leven.  

Toch is één ding opvallend. Ook al in de oudste rozekruisritualen komt in een soortgelijke bewoording de vraag voor: in welke tijd leven wij? En het antwoord is in al die eeuwen in essentie hetzelfde gebleven: wij leven in een moeilijke tijd. Taal kan wel wat, maar de taal verandert de tijd en de werkelijkheid niet, alleen de perceptie van de tijd en de werkelijkheid. 

------

Ik mocht betrokken zijn bij de oprichting van het jongste Kapittel van de Nederlandse Hoge Graden, Het Rozekruis, dat in de herfst van 2012 in Kampen is geïnstalleerd. Als Redenaar mocht ik toen de volgende getuigenis geven. In de context van het voorafgaande zal deze getuigenis u anders overkomen dan de toehoorders toen – meerderen die nu hier zijn, waren er toen ook bij – maar taal is nu eenmaal altijd contextafhankelijk. 210 jaar geleden zou men aan mijn rede geen touw kunnen vastknopen. 

Hier mijn getuigenis van toen:
 
Wij komen uit een wereld die verwarder en verdeelder is dan ooit, uit een moeilijke tijd, waar niets is wat het lijkt en wat het lijkt niets is, waar de laat-maar-waaien-wind ons doet dobberen in de op- en neergaande golven van het leven. Maar soms trekt de hemel open en waait het niet, even niet, en onder dat Azuren Gewelf, in die diepe windstilte, in die Silence Profonde, spoelen wij aan op een strand van vragen, talloze en taalloze vragen, waarop de antwoorden even talloos en taalloos zijn als het zand op het strand, dat ons rustbed is en de sterren aan ’t gewelf, dat ons onderdak verschaft, vragen die geen andere antwoorden behoeven dan de antwoorden die het Azuren Gewelf en De Diepe Stilte geven. Even rust, even als dobberend, tobbend deel in Harmonie met het Grote Alomvattende Geheel, het Heel Al.
 
We komen uit een wereld waarin cynisme de overhand heeft: een wereld waarin wetenschap de mens beziet als een door genen, prikkels, hormonen en omstandigheden bepaald, willoos wezen, dat zichzelf wijsmaakt dat hij een vrije wil heeft die keuzes maakt; een wereld waarin wetenschap het leven laat voltrekken op een minuscuul deeltje van het Heel Al, dat net aan al die voorwaarden voldoet die het ontstaan van dit leven mogelijk maken; een Heel Al dat is en niets anders doet dan zijn, dat nergens vandaan komt en nergens heengaat, niet in iets wortelt, niet naar iets streeft, geen oorzaak heeft en geen doel.
 
Het is de wereld waarin licht een natuurkundige begrip is
en niet het Licht dat de duisternis zou kunnen overwinnen, waarin geloof, hoop en liefde betekenisloze woorden zijn die niet verwijzen naar de wereld van de feiten. Het is de wereld van het Westen waarin de mens willoos en kompasloos dobbert op de golven van de laat-maar-waaien-wind.
 
Zijn wij Vrijmetselaren dan niet van deze wereld? Ja wel: de wereld van het Westen is ook onze wereld, we komen er uit en we keren er in terug. Maar we voegen er iets aan toe dat niet van deze wereld is: wij bevrijden ons van de ketenen van de werkelijkheid in het Westen en maken zo van onszelf vrije mannen die ervoor kiezen wereld en leven te zien als een te voltooien bouwwerk: een wereld in het Oosten.
 
Aan kille wijsheid van wetenschappelijke waarheid voegen wij de warme Wijsheid van  Geloven toe. 
Aan kille krachten die de dingen binnen het Heel Al doen bewegen zonder aanziens des persoons voegen wij de warme Kracht toe van Broederschap en Hoop. 
Die warmte mag dan niet behoren tot de wereld van de feiten, maar juist die warmte maakt de Schoonheid van de Liefde mogelijk. Die Schoonheid, die Liefde, maakt van het leven meer dan een kille wetenschappelijke beschrijving van feiten over het ontstaan en het einde van het leven en alles wat daartussen ligt.
 
Als ik niet in de Diepe Stilte was aangespoeld op een eiland van talloze en taalloze vragen, waarop de antwoorden even talloos en taalloos zijn als het zand op het strand en de sterren in de hemel, had ik geen onderdak gehad en geen rustplaats gevonden en was ik zonder zin en liefdeloos blijven dobberen op de golven van een zinloos bestaan.
 
De liefdesgraad van het Rozekruis  kan zo’n eiland van vragen zijn, waar de wereld van de kille antwoorden niet wordt ontkend, maar voor even tot zwijgen wordt gebracht.
 
De liefdesgraad van het Rozekruis kan onderdak bieden aan wie innerlijke rust zoeken in een uiterlijke wereld waar we het kruis van het leven voortslepen naar de dood. Aan dat kruis wil Het Rozekruis een Roos toevoegen, omdat wij geloven en hopen dat Liefde de wereld anders kan doen ervaren dan wat hij feitelijk is.
 
Ignis Natura Renovatur Integra: het vuur van de Liefde maakt van ons een ander mens.


Website Builder
mogelijk gemaakt
door Vistaprint